Advertentie
Advertentie

Het begin van het einde

Van alle titels in de dvd-serie 'Kroniek van de Vlaamse film 1955-1990' kan 'De Witte van Sichem' zeker het meest aanspraak maken op een ereplaats in het mausoleum van ons cultureel erfgoed. Het gelijknamige boek van Ernest Claes over het leven in het Hageland anno 1900 is een Vlaamse klassieker en stond in 1934 model voor de weinig getrouwe maar immens populaire verfilming door Jan Vanderheyden en Edith Kiel. Weinig of geen Vlaamse scholieren wisten in de decennia daarop aan boek noch film te ontsnappen. Jongere generaties kregen de nostalgie naar het gezapige plattelandsleven ingelepeld via het moderne televisiemedium. In de gouden jaren van de openbare omroep wist de BRT zijn publiek aan het toestel te kluisteren met 'Wij, heren van Zichem', een ellenlange serie gebaseerd op 'De Witte' en andere heimatwerken uit het oeuvre van Claes. Het was het einde van de woelige jaren zestig en afgaande op inhoud, vorm en succes van het feuilleton leek de Vlaamse kijker zich te nestelen in zijn heimwee naar een knusse versie van vroeger. Terwijl pastoor Munte, boer Coene en de Witte nog maar eens uitgroeiden tot anachronistische helden, timmerden een Antwerps filmmaker en zijn kompanen duchtig aan een nieuwe filmcultuur voor het nieuwe Vlaanderen dat toen nog Belgie heette. In 1966 werd de Belgische film wakker geschud door een revolutionair initiatief. Het filmcollectief 'Fugitive Cinema', met regisseur Robbe de Hert als een van zijn luidruchtigste leden, stond vanaf dan garant voor een gestadige productie van kortfilms, middellange films en 'off television reportages' met militante vorm en inhoud. 'S.O.S. Fonske' (van Patrick le Bon en Guido Henderickx, 1968), 'De Bom' (Robbe de Hert, 1969), 'Dood van een sandwichman' (Guido Henderickx, 1971): stuk voor stuk titels ontstaan uit de noodzaak om de (film)wereld veranderd te zien. Fugitive's mix van sociaal engagement, linkse maatschappijkritiek en cinefiele bekommernissen kende zijn hoogtepunt in 'Camera Sutra of de bleekgezichten' (1971). De Herts eerste langspeler tussen fictie en docu in zorgt voor Belgische aansluiting bij de belangrijke internationale golf van politieke cinema. Een klein decennium later. Rooie Robbe is een gepatenteerde relschopper in filmland. Fugitive Cinema zit in zware financiele problemen. En twee jonge filmcritici roepen 1980 uit tot het 'wonderjaar van de Vlaamse film', meteen de titel van hun gelegenheidspublicatie. De reden voor hun voorzichtig optimisme: in een jaar tijd worden vier speelfilms uitgebracht waarvan drie van filmmakers rond het Fugitive-productieplatform. In 'Hellegat', 'De proefkonijnen' en 'De Witte van Sichem' zoeken respectievelijk Patrick Lebon, Guido Henderickx en Robbe de Hert naar een mainstream bioscoopformaat voor hun sociaal geengageerde thema's. Vinden de eerste twee hun heil nog in verhalen van eigen makelij dan is het vooral de Robbe die zijn vingers dreigt te verbranden aan een monument uit de oude Vlaamse cultuur. Koorddansend tussen de eisen van het commerciele filmmaken en de wensen van de erfgenamen Claes, poogt De Hert tegen beter weten in een persoonlijk werkstuk te puren uit een zwaarbeladen en zwaarbewaakte onderneming. De 'Kroniek van de Vlaamse film 1955-1990' voorziet de dvd-versies van zijn historische titels steeds van een korte, informatieve (en vervelende) documentaire waarin de context van de oorspronkelijke release uit de doeken wordt gedaan. In 'De Witte van Sichem archieven' praten filmmaker, producent en medewerkers over de ingrepen die van De Herts adaptatie een waarheidsgetrouwere adaptatie moesten maken dan die van zijn luchtige voorganger van een halve eeuw eerder. Ingreep een: om ook de grauwere zijde van het boek alle eer aan te doen, gebruiken de regisseur en zijn scenaristen (Fernand Auwera, Louis Paul Boon en Gaston Durnez) stukken uit ander, minder anekdotisch werk van Claes als 'Mijn jeugd', 'Ik en de Witte' en 'Wannes Raps'. Ingreep twee: Rooie Robbe identificeert zich met de rebelse kwajongen en loodst, geheel conform aan zijn linkse politieke overtuigingen, sociale kritiek in het verhaal. 'De Witte' volgens De Hert vertelt over de strijd van het landbouwproletariaat tegen het repressieve apparaat van kerk en landeigenaar, met rode vlaggen en protestgezangen erop en eraan. Ingreep drie: kozen zijn voorgangers Vanderheyden & Kiel nog voor een populistische komedie dan mikt De Hert bewust op een grote, schone film, vol schilderachtige taferelen en schilderkunstige referenties. Zijn intrede in de publieksfilm is een schoolvoorbeeld van academisme waarin alle goede intenties oplossen in een saai, overbodig compromis tussen kunst en commerce. Achteraf gezien betekent 'De Witte' voor De Hert niet zozeer het einde van het begin maar wel het begin van het einde. Zijn cv gaat van kwaad naar erger met volstrekt onbeduidende pogingen (als 'Zware jongens' - '84, 'Brylcreem Boulevard' - '95, 'Gaston's War' - '97) om aansluiting te vinden bij het grote publiek. De laatste jaren zit de zeurende Robbe zoveel op schoot bij Luk Alloo en soortgelijke tv-presentatoren dat hij de status van een heuse BV heeft verworven. Hoe een links filmmaker uit de sixties terechtkomt bij de neoliberale tv van de nineties zou voer kunnen zijn voor een boeiende documentaire bij de nodige dvd-release van zijn 'oud' werk. De samenstellers van 'Kroniek van de Vlaamse film 1955-1990' kiezen onbegrijpelijk genoeg voor het ophemelen van een film waarvan zijn maker nota bene nooit echt heeft wakker gelegen. 'Met het maken van 'De Witte' zag Robbe de Hert een unieke kans om zijn status gevoelig te verbeteren, en zo wel andere projecten mogelijk te maken', dixerunt de twee jonge filmcritici in 'Het wonderjaar van de Vlaamse film'. Zij hebben het ondertussen geschopt tot het tweekoppige brein achter cultuur in de Tijd. Wij hebben het wachten op die andere projecten van de Robbe al lang opgegeven. 'De Witte van Sichem' van Robbe de Hert, 1980, 103 min., dvd. Na 'Mira' en 'Crazy Love' is dit deel drie in de geplande elfdelige reeks 'Kroniek van de Vlaamse film 1955-1990', een initiatief van de (vorige) minister van Cultuur van de Vlaamse Gemeenschap uitgevoerd door het Koninklijk Belgisch Filmarchief in coproductie met Canvas. Zelfpromotie Beste Marc Ruyters, Zoals telefonisch afgesproken stuur ik u hierbij enige uitleg omtrent mijn activiteiten in Tsjetsjenie en de documentaire die daar de registratie van is. Om het werk te maken drong ik, alleen, illegaal en met een cameraatje Tsjetsjenie binnen. Ter plekke neem ik een welbepaalde rol op mij: die van de omnipresente, maar ter plekke nooit gedefinieerde tv-kijker om wiens aandacht gevochten moet worden. Daarom vraag ik vluchtelingen, VN-medewerkers en rebellen, in een decor van ruines en bomaanslagen, niet hoe zij zich voelen. Die beelden zijn bekend. Ze vervullen een rol. Ik vraag hen hoe ik me voel. Tegemoetkomend aan de agenda van die tv-kijker vormt de film een parabel voor een economie van beelden. Tegelijkertijd ben ik daar, met mijn filmende camera. De film handelt niet over een of ander fenomeen, maar over de voorwaarden van zijn eigen bestaan. Vriendelijke groeten, Renzo Martens Inhoud en intentie van de videodocumentaire 'Episode:1' vallen niet beter samen te vatten dan met deze korte e-mail aan het adres van de hoofdredacteur van Tijd-Cultuur. 'Episode: 1' maakt deel uit van de tentoonstelling 'Urban Dramas' die met zowel foto's als filmprojecties van 14 internationale kunstenaars het potentieel van de stad om verhalen te genereren naar voren wil brengen. 'Urban Dramas' wil 'de stad niet tonen als historische feitelijkheid noch als planologische utopie, niet als rationeel gegeven noch als sociaal onderzoeksobject, maar als een vitaal gegeven, als metafoor van het leven zelf.' Martens' (bestudeerde?) oefening in ijdelheid toont genoeg vitaliteit om onder deze wazige kapstok te kunnen resulteren. Zijn video doet denken aan het internetproject 'www.pieceforpeace.net' waarmee Christophe Terlinden onlangs op de Jonge Belgische Schilderkunst 2003 eerste laureaat werd en waarin de kunstenaar (bewust?) een naieve, ongeinformeerde oplossing voor het Palestijns-Israelische probleem voorstelt. Onvermijdelijk heeft dit onbezonnen standpunt tot heftige discussie geleid over het hoe, wat en waarom van politieke kunst en over zin en onzin van politiek geengageerde kunstenaars. De kans is groot dat het debat verder wordt aangezwengeld met dit videowerk van Martens. Zijn reisverslag van een gedurfde trip naar een oorlogszone vraagt van de kijker duidelijk een conceptuele lezing. Door de rollen simpelweg om te keren en zichzelf tot onderwerp van zijn film te promoten, nodigt de maker uit tot een beschouwing over de rol van confronterende beelden in een overgesatureerd medialandschap. De schrijnende opnames van een verwoest Grozny verdwijnen in het niets bij de (gespeelde?) zelfpromotie van deze kunstenaar, en zo gaat het altijd met slachtoffer-tv lijkt hij te suggereren. Tv-makers cateren beelden van ellende aan kijkers die zich goed voelen door zich slecht te voelen. Medelijden, woede, onmacht en droefenis zijn emoties die niet alleen door programmamakers worden aangeboden maar net zo goed door kijkers worden omarmd. In het schouwspel van televisueel rampentoerisme speelt iedereen met overgave zijn rol en de kunstenaar is de eerste om zijn betrokkenheid in het spel zelf toe te geven. Met het etaleren van zijn narcisme in de straten van Grozny (waar hij voortdurend met zijn gedachten bij zijn lief en bij zichzelf zit) beoogt hij daarom naieve verdubbeling in plaats van kritische afstand. Kan een gegoede westerling zomaar naar een rampengebied trekken om er de waarheid over zichzelf te gaan zoeken? Kan een kunstenaar waarachtig bekommerd zijn om de toestand in de wereld of dient zijn sociaal engagement enkel autoreflectie en autopromotie? 'Episode:1' blijft mogelijke antwoorden op deze vragen (handig?) schuldig opdat curatoren en publiek verplicht worden er het hunne van te denken. 'Episode:1' van Renzo Martens, 2003, 45 min., video, is onderdeel van de tentoonstelling 'Urban Dramas' in De Singel, 12 september - 30 november, di-zo 14-18 uur, toegang gratis (www.desingel.be) Samenstelling: Herman ASSELBERGHS Ost-algie In de bioscoop loopt 'Good bye, Lenin!', een Duitse komedie die tegelijk lacht en flirt met de heimwee naar de vroegere DDR. Wie zijn eigen nostalgische gevoelens naar die goede oude Koude Oorlog wil koesteren, kan bij de (betere) videoboer terecht voor: One, Two, Three Billy Wilder, 1961, 115 min. Vlak voor de bouw van de Muur ontdekt de Amerikaanse manager van de Berlijnse Coca-Cola-vestiging dat de dochter van zijn grote baas stiekem is getrouwd met een communist uit het oostelijke deel van de stad. Wilders allerscherpste komedie over de verlokkingen van het kapitalisme heeft nog aan actualiteit gewonnen sinds de Muur alweer is neergehaald. The Spy Who Came In from the Cold Martin Ritt, 1965, 112 min. Een uitgebluste MI6-agent wordt aan de andere kant van Muur gedropt in een geensceneerde overloop naar het communistische kamp. Het doolhof van dubbel- en tripelspel waarin hij terechtkomt, zorgt voor een existentiele crisis zoals alleen John le Carre ze in zijn gouden periode kon bedenken in zijn gelijknamige roman. Funeral in Berlin Guy Hamilton, 1966, 102 min. Wanneer een belangrijke Russische veiligheidsagent wil overlopen, moet de Britse geheime agent Harry Palmer hem over de Oost-Duitse grens helpen smokkelen. Een heerlijk gedateerde en dito ingewikkelde plot naar de roman van Len Deighton met Michael Caine als brutaal alternatief voor de gesofistikeerde James Bond.