HET EINDE

Reis naar mijn onvoltooid verleden tijd. Zaterdag 9 maart. Utrecht. Vredenburg. Nacht van de Poëzie. Als gast. Ik word met open armen ontvangen. Overnachting, eten, drank en kletsen op kosten van de Staat der Nederlanden. De lach op het gelaat van Anneke van Dijk, de gastvrouw, is meer dan oprecht. Goed achttien jaar is het geleden dat we elkaar hebben gezien. Ik was met gemengde gevoelens in Gent vertrokken maar ben geen vijf minuten gearriveerd of ik voel me thuis. Weer thuis. In het huis van een ander met de nageur van een idee van mij. Iedereen is blij dat ik er ben. Waarom voel ik me in Nederland meer ontspannen dan in Vlaanderen? Altijd geweest en zal altijd zo zijn, vermoed ik. Ik werd, word en zal er nooit worden beschouwd als een paria, een lastpost, een marginaal, een kwibus, maar als een gelijke onder de geschikten.De Nacht, ik herken hem nog, maar hij is veranderd. Volwassen geworden. Niet ouder, maar hij heeft aan schoonheid gewonnen. Verfijnder en met de allure van een jonkvrouw in opperste bloei. Ik zit in de zaal, loop rond in de wandelgangen, bezoek de poëziemarkt, verpoos in het artiestenfoyer en voel wat elke aanwezige voelt. Zowel toeschouwer, artiest als medewerker. En door alle lagen van het gebeuren zie ik het gestalte krijgen: poëzie is de onverwoestbare ziel van de onsterfelijke kunst. En wij, doordat wij poëzieminnaars zijn, krijgen van die gestalte een vurige tong waarmee wij een jaar verder kunnen.Dichters, zangers, muzikanten, cabaretiers, journalisten. In het artiestenfoyer gaan ze met elkaar om in een hemels vredige sfeer. Praten. Peppen elkaar op. Ook uitgevers herken ik. Hollandse. Geen Vlaamse. Logisch dat ze er niet zijn. Ze hebben nooit kapitaal, geest en zakelijkheid geïnvesteerd in een dichter en de dichtkunst. Kennen dus geen dichters intiem en de dichters lusten hen rauw. Zijn hooguit beleefd tegen ze. Als ze hen ontmoeten op een boekenbeurs. Want een dichter is een heer/dame van stand. Wie ik ook mis, zijn de ambtenaren van culturele centra. Die zitten lekker thuis. Op en af te zappen van de trappen van hun bourgeoisie. En soms, in een moment van paniek, te huilen om hun eigen onmacht waarop ze geen greep hebben. Doordat ze het niet kunnen doorgronden.Vorige week nog zo iemand in wanhoop aan de lijn gehad. Een promotiedame van een jong cultureel centrum. Waarom haal jij bij het minste wat je doet de landelijke pers en lukt het ons bij god niet? Omdat ik risico neem, mevrouw. En het programma van jouw centrum en dat van jouw soortgenoten uitmunt in braafheid, belegenheid en vals engagement. Het is niet voldoende dat een artiest de bourgeois jent en slaat, mevrouw. Ook de gastheer of gastvrouw van de artiest moet zijn/haar nek uitsteken. Symbiose. Tussen droom en daad. Dan pas ontstaat er vuurwerk. En telkens weer opnieuw, elke keer weer, moet je van nul herbeginnen. Met het opwinden van de pers. En de pers moet ruiken en voelen dat je ten volle gelooft in wat je gaat doen, wil tonen. Waarvoor je volk naar je tempel wil lokken. Met fake faal je, mevrouw.Omdat ik niet kan en niet wil faken, mevrouw, komt het dat ik de pers haal. Want niet alles was en is een hoogvlieger, maar al wat ik deed en doe, had en heeft dat eerlijke zuurgehalte waar een journalist naar smacht en de lezer pap van lust. Van de eerste Kazuno (nu Nekka-Nacht), over de Nacht van de Poëzie, leesmarathons, theatermonologen tot en met Salut Godot.Passie, die nooit een moment van zwakte vertoont, is nu eenmaal de cruciale factor om een publiek te veroveren. Dat bedoelde Anneke van Dijk vorige zaterdagavond in Utrecht toen ze me na al die jaren afwezigheid omhelsde met de groet: Wat zie je er goed uit! Want ouder wordt elk van ons, maar passie kent tijd noch ruimte.Guido LAUWAERT