Het fiasco van de jaren negentig

President Bush kondigde onlangs een verhoging van het defensiebudget met 48 miljard dollar of 14 procent aan. Dit is de grootste groei in 2 decennia. De meeste verklaringen gaan niet verder dan een verwijzing naar 11 september. Uiteraard is het door de aanval op het Amerikaanse grondgebied dat de verhoging kans maakt om door het Congres te geraken. Maar er spelen diepere motieven mee.Tijdens de Koude Oorlog waren de Amerikaanse conventionele strijdkrachten er op gericht een sovjetaanval op Europa en de Amerikaanse aanwezigheid in Oost-Azië af te slaan. Op het Amerikaanse continent werden grote aantallen reservetroepen in stand gehouden die in geval van nood konden worden verscheept. Zolang de verdediging van Europa de hoeksteen van de Amerikaanse strategie was, vormde structurele samenwerking met de NAVO-bondgenoten een evidentie. Voor de verdediging tegen het nucleaire arsenaal van Moskou rekende men op afschrikking.In de vroege jaren 1990 tekende de Amerikaanse regering een nieuwe strategie uit. Het leger werd grondig hervormd, lees afgeslankt. Net als in Europa moest het einde van de Koude Oorlog een vredesdividend opleveren door de vermindering van de militaire inspanning. Een intussen vals gebleken gevoel van veiligheid verhinderde een rationele defensiepolitiek. In de triomfalistische sfeer van die dagen was geen politieke speelruimte voor een uitgekiende strategie. Het prijskaartje moest drastisch naar omlaag en de politieke ambities moesten zich maar aanpassen. De militaire behoeften werden niet uitgetekend in functie van de gekozen politiek; voortaan diende het Witte Huis een politiek te volgen waarvan de militaire kostprijs op voorhand werd vastgelegd. Honderdduizenden in het Midden-Oosten, Rwanda, ex-Joegoslavië of Somalië betaalden met hun leven de factuur die de Amerikaanse en Europese belastingsbetalers doorstuurden. Tot de factuur op 11 september terugkwam.Nieuwe WereldordeIn de loop van de jaren 1990 werd het Amerikaanse conventionele leger met 25 procent teruggebracht. Het nieuwe Amerikaanse leger werd zogezegd uitgetekend om twee grote regionale conflicten, zoals de oorlog tegen Irak of een ingrijpen in Korea, tegelijk te beheersen. Maar reeds tijdens de oorlog tegen Irak bleek dat het Amerikaanse leger zichzelf niet in staat achtte om meer dan één conflict met succes uit te vechten. Samen met het Vietnamsyndroom, heeft dit ertoe geleid dat de legerleiding het voorbije decennium het Witte Huis steeds terughoudendheid heeft geadviseerd. Daardoor is een gevaarlijke tweespalt ontstaan tussen de grote, politieke verklaringen over een Nieuwe Wereldorde en de bereidheid om die orde te garanderen. In 1990 kondigde het Witte Huis een Nieuwe Wereldorde aan waarbij de Verenigde Naties onder de leiding van de VS de orde en vrede zouden handhaven tegen die regimes die het met die orde en het status-quo niet eens waren. Maar snel bleek dat de stoere verklaringen niet gepaard gingen met een geloofwaardige dreiging van effectieve interventie. Keer op keer wisten agressoren de Amerikaanse bluf te doorprikken en Amerika tot een diplomatieke aftocht te dwingen. Het verkneukel dat dit ook in vele Westerse hoofdkwartieren teweegbracht over het gezichtsverlies voor de arrogante Amerikanen is intussen overstemd door de vele slachtoffers van deze houding. De instandhouding van het regime van Saddam Hoessein, de oorlogen in ex-Joegoslavië, de Amerikaanse én VN-nederlagen tegen Irak en Noord-Korea over de wapeninspecties, het zijn maar enkele voorbeelden. Bush obsessie met het rakettenschild, dat vooral de VS moet verdedigen, komt minder prominent naar voren dan aanvankelijk kon worden gevreesd. Het budget wordt wellicht bevroren op het bedrag van vorig jaar. De eenzijdige keuze voor dit rakettenschild dat bedoeld is om grootschalige, nucleaire aanvallen af te weren heeft het voorbije jaar zwaar gewogen op het Amerikaanse imago. Het rakettenschild richt zich in eerste instantie tegen nucleaire grootmachten: Rusland of in de toekomst China. De kans dat andere staten een aanval met kernraketten op de VS zouden uitvoeren is klein, terwijl terreuraanslagen met raketten niet meteen te verwachten zijn. Prioriteit geven aan het rakettenschild is in deze tijd van toenadering tot Moskou contraproductief. De derde, en belangrijkste conclusie die men kan trekken, is dat het Pentagon de massale aankoop van conventioneel legermateriaal als tanks, gevechtsvliegtuigen en oorlogsschepen aankondigt en niet alle nieuwe budgetten naar technologie laat vloeien. Op dit punt lijkt er meer evenwicht te komen dan de voorbije jaren. De keuze van de voorbije jaren voor nieuwe technologieën was ingegeven door politiek opportunisme: ze was populair bij de kiezer, die daardoor werd aangemoedigd oorlog te zien als een spel voor robotten in de verre toekomst. De ommezwaai in het budget nu is een signaal dat het Pentagon en het Witte Huis de noodzaak beseffen om de militaire effectieven opnieuw op het peil van hun geopolitieke strategie te brengen. De inhaalbeweging lijkt ingezet, veel te laat en met bijgevolg een veel hogere kostprijs dan nodig was geweest. Of om het plastischer uit te drukken: de vliegtuigen die men in 1991 in de woestijn van Saudi Arabië achterliet, moeten nu weer worden gebouwd. In ieder geval lijken de lessen uit de periode 1990-2001 getrokken te worden.11 septemberDe vierde conclusie is minder hoopgevend. Net als de voorbije tien jaar doen de VS weinig pogingen om hun defensie-inspanning te coördineren met de bondgenoten. Het staat symbool voor de politiek van de regering Bush voor wie samenwerking met de bondgenoten meegenomen is, maar niet noodzakelijk. Op korte termijn is deze politiek rampzalig voor de werking van de VN. Op lange termijn kan ze ook gevolgen hebben voor de Europese veiligheid. Maar een deel van de schuld ligt bij de Europese NAVO-bondgenoten. Ook na 11 september lijkt de bereidheid om structureel meer bij te dragen tot de defensie van het eigen grondgebied én de interventie in de wereld weinig gegroeid. Sommige Europese landen leveren troepen en materieel aan de strijd tegen het terrorisme, maar laten dit ten koste gaan van de gewone middelen voor hun troepenmachten. Van investeren is nauwelijks sprake.Europa staat terecht aan de klaagmuur over het eigengereid Amerikaans. Maar van zodra het regent, schuilt Europa onder de Amerikaanse paraplu. Er schiet dan weinig over dan de VS te volgen en bij te springen. De wereldgemeenschap zou een grotere inspraak van andere economische grootmachten zoals Europa en Japan kunnen gebruiken. Meer structurele, politieke samenwerking is alleen maar mogelijk door de uitbouw van een nieuwe, structurele militaire samenwerking zoals ten tijde van de Koude Oorlog. Ditmaal zal deze strategie ook met interventie buiten het verdragsgebied moeten rekening houden. Het wordt tijd dat Europa inziet dat inspraak zonder verantwoordelijkheid niet bestaat. Randall LESAFFERProf. Lesaffer is verbonden aan de Rechtenfaculteiten van Tilburg en Leuven en doceert tevens aan het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie. Hij verricht onderzoek op het gebied van de geschiedenis en recente ontwikkelingen van het internationaal recht en de internationale betrekkingen.