Advertentie
Advertentie

Het geheim van La Grande Terre

Het kerkhof van Forcalquier is een cimetière classé, zegt de wegwijzer, een beschermd monument. Grote terrassen liggen als reuzentrappen tegen een berg aan en worden bewaakt door taxusbomen waarin nissen en galerijen zijn uitgeknipt. Rondom staan erewachten van cipressen, zoals op bijna alle Provençaalse kerkhoven, groene symbolen van onsterfelijkheid. Zerken en kruisen, treurende engelen en kapelletjes vormen ordelijke rijen. Op de grafstenen bloeien plastieken bloemen in alle kleuren, te midden van marmeren plakketjes en gedenkplaten in het genre: On ne toubliera jamais, uit het oog maar niet uit het hart. In gidsen en kleurenfolders van de streek wordt le cimetière classé gewetensvol vermeld, maar niet het grote Provençaalse misdaadgeheim dat menige vreemdeling naar de dodenstad blijft leiden. De toeristische dienst legt de nadruk liever op le panorama magnifique, met de witte kathedraal en haar achtergrond van bergen en bossen, zijn rijk gevarieerde plantengroei, zijn aromen en zijn gezonde lucht.Fourcauquié, zoals de oorspronkelijke Provençaalse naam van de stad luidt, ligt op zon 550 meter hoogte tussen de bergen van de Lure en de Lubéron, in de Haute Provence. Het stadje laat zich graag een wit arendsnest noemen, omdat het inderdaad als een nest, een schelp, een amfitheater, aan de kalkrotsen is vastgehecht. Zijn oorsprong ligt ver in de tijd. En dat is er aan te zien. Hoge huizen betwisten elkaar de ruimte rond pleintjes en smalle straten: verrimpelde gebouwen, grijze glorie van weleer, stenen die hebben geleden onder eeuwenlange zon en genadeloze wind, en die er ook op hun eigen Provençaalse manier mooier bij geworden zijn. Maar in de kern van de stad klinkt meer en meer de hamerslag van de restaurateurs.Er is hier in de loop der tijden flink wat gevochten. Verweerde overblijfselen van een citadel kijken neer op de stad. Op haar muren is een kapel opgetrokken ter ere van Notre Dame de la Provence, in een mengeling van alle stijlen. Moedige toeristen die ze willen bezoeken, klimmen zon tweehonderd meter hoog, op grillige keien. Daar kunnen zij de namen lezen van trotse families uit de streek die er een soort van pretparkcarillon lieten bouwen waar elke zondagmiddag de laatste beiaardier van de Provence zijn klanken komt uitstrooien. De beiaardier begint heel vroom met Bach en eindigt met auprès de ma blonde.Het aantal inwoners van dit Witte Arendsnest ligt al vele jaren rond de 4.000. Daar is een behoorlijk aantal kunstenaars bij, schrijvers, schilders, beeldhouwers. Zij zijn naar het stadje gekomen, zoals de folder zegt, bekoord door de schoonheid van het gebied en het warme onthaal door de plaatselijke bevolking.* * *Bekoord waren ook, zon halve eeuw geleden, Sir Jack Drummond, een geleerde bioloog en oudgediende van de Britse geheime dienst, zijn vrouw Anne en hun tienjarig dochtertje Elisabeth. Zij kwamen met hun groen camionnetje uit Engeland en zochten hun weg over berg en dal, in het licht van de vakantiezon, logeerden nu eens in een hotelletje, dan weer op veldbedden in open lucht. Het was in de zomer van 1952, toen de eerste naoorlogse toeristen in het gebied begonnen door te dringen, alsof het verkenners in een andere wereld waren. De zomereiken stonden in hun blauwachtige tooi op de heuvelflanken. Op 5 augustus 1952 vond men de levenloze lichamen van Sir Drummond, zijn vrouw en zijn kind, opzij van de Route Napoléon, grondgebied Lurs, buurgemeente van Forcalquier. De man en de vrouw waren neergeschoten, hun dochtertje doodgeslagen met een geweerkolf.Spoedig verdacht men de bewoners van een nabijgelegen hoeve. Die heette La Grande Terre, niet omdat zij zo groot was maar omdat zij, in deze moeilijke lavendelstreek, nogal goede vruchten opleverde. Alleenheerser op deze hoeve was de 76-jarige Gaston Dominici. Hij woonde er met zijn vrouw, zijn drie zonen, een schoondochter en wat kleinkinderen. Dominici was communistisch gemeenteraadslid, koesterde een decoratie die hij had gekregen omdat hij eens een boosdoener had gearresteerd, liep meestal met een karabijn door het land (maar dat deden daar zovelen) en genoot de achting van de streekbewoners (maar dat was meer vrees dan achting - en zulke vrees genoten ook velen). Het duurde niet lang of de vermoedens werden bijna zekerheid toen men in de buurt het wapen der misdaad vond: de karabijn van vader Dominici. Toen begon een zonderling steekspel van ondervragingen, bekentenissen, logenstraffingen, onderlinge beschuldigingen, journalistieke fantasieën over spionage, politieke Koude-Oorlogverhalen, verdachtmakingen uit het struikgewas van het Verzet, oude boerenvetes. Na twee jaar onderzoek, waarin de bejaarde boer negen keer bekentenissen aflegde en negen keer alle bekentenissen weer introk, voerde men in de stad Digne een assisenproces waar de Europese pers op afkwam. Het duurde drie weken, leverde kilometerslange sensatieverhalen op en eindigde met de doodstraf voor Gaston Dominici.Maar het slot van het proces was geen slotakkoord. Na verloop van tijd werd het onderzoek heropend, weer gesloten, opnieuw geopend, tot men terugkeerde naar de eerste conclusie. Vanwege zijn hoge leeftijd ontsnapte de boer aan de guillotine, die toen nog werkte. In 1961 werd hij vrijgelaten en daarna bracht hij nog zes jaar door in een bejaardenhuis in Digne. Alhoewel telkens weer nieuwe feiten werden beloofd, kwam er tot nog toe geen licht in de duisternis.* * *Louis de Lentdecker was in die dagen de nummer 1 van de reportagedienst bij de Vlaamse krant De Standaard. Zijn verslagen van de naoorlogse repressie hadden de jonge man tot een journalistieke ster gemaakt en nu was hij op weg om de befaamdste misdaadreporter van de Belgische pers te worden. In die televisieloze tijd, toen de radio een officiële en dus onpopulaire rol speelde, gaven de kranten nog de volle toon aan. De Lentdecker spoedde zich naar de Haute Provence en telefoneerde elke avond een lang verhaal door. Dat werd woord voor woord door een collega op de redactie genoteerd. Want ook moderne opnametoestellen bestonden nog niet. Het was allemaal handwerk. Uitvoerig, smeuïg, felgekleurd en gekruid. Het publiek smulde.Nog vele jaren heeft Louis de Lentdecker op zowat alle fronten van het nieuws gestreden, maar de zaak-Dominici bleef hij als een hoogtepunt in zijn verslaggeversleven beschouwen. Niet voor niets begon hij daar ten slotte zijn memoires mee. Hij vergeleek de protagonisten zowaar met helden uit Griekse tragedies en hij meende dat de volledige waarheid nooit aan het licht is gekomen. Waarschijnlijk lag een misverstand aan de basis van het drama. De ruwe, opvliegende natuurmens Dominici zou, naar oude gewoonte, s nachts met zijn jachtgeweer op stap zijn gegaan. Toen Sir Drummond hem plotseling uit de duisternis zag opduiken, moet hij geschrokken zijn en zich bedreigd hebben gevoeld. Een gevecht ontstond, een schot ging af. Om een getuige uit de weg te ruimen, schoot de boer toen ook de wakker geschrokken vrouw neer.En het kind? Wat gebeurde met het meisje? Mogelijk is de oude boer naar zijn huis gegaan om alles te vertellen. Leden van zijn gezin, die voor zichzelf begonnen te vrezen, meenden dat ook het kind moest verdwijnen. Terwijl Dominici ergens rondzwierf, hebben zij het meisje gezocht en neergeslagen.Toen het onderzoek hen allen in het gedrang bracht, zou de oude boer dan, volgens deze versie, alle schuld op zich hebben genomen. Maar toen hij later tot het inzicht kwam dat zijn gezin eigenlijk blij was dat het op die manier van de lastige oude dictator af kwam, zou hij boos zijn geworden en zich tegen zijn zonen hebben gekeerd.Over weinige moordzaken zijn zoveel boeken geschreven. Er is ook een film gedraaid, met Jean Gabin als het eigenzinnige hoofd van de clan, in een gesloten gemeenschap die niet alleen door de moord op de Engelsen maar ook door nooit opgeklaarde oorlogsgebeurtenissen (smokkel, roof, verzetsbedrijvigheden?) beheerst en verdeeld moet zijn geweest.* * *Onder de vele journalisten die het proces volgden, bevond zich de grote Provençaalse romancier Jean Giono. Hij kreeg een bevoorrechte plaats, vlak bij de voorzitter en de beschuldigde. Als weinig andere aanwezigen kende hij de streek, waar hij geboren en getogen was. En net als Dominici was hij van Piëmontese afkomst. De notities die hij in opdracht van een Parijs weekblad maakte, heeft hij nadien gebundeld. Notes sur lAffaire Dominici verscheen in 1955 en werd ook voor een beter begrip van zijn literair werk een precieus getuigenis.Giono geeft geen echt relaas van het geding maar persoonlijke indrukken, tegelijk staaltjes van zijn schrijfkunst. Hij spreekt zich niet uit over de dader(s). Hij zegt, dat schuld noch onschuld werden bewezen. Belangrijker is het essay dat hij aan zijn procesnotities toevoegt en waarin hij een zeer verhelderend licht werpt op het karakter van de personages en op hun streek. Hij evoceerde hun afkomst (geen echte Fransen, wél echte hooglanders), hun levensomstandigheden op de barre hoogten, de voorvaderlijke verhoudingen en de relatie man-vrouw-familie waarvan vreemdelingen zich moeilijk zo niet onmogelijk een idee konden vormden. Kenschetsend voor Jean Giono was de rol die hij toekende aan de leugen in het bestaan van die mensen, die een parallelle werkelijkheid creëren. En dan was er hun taal. Wat Giono daarover zegt, spreekt tot de verbeelding van de oudere Vlaming die zich de taalverhoudingen uit zijn eigen jeugd herinnert. De romancier noteerde het aantal verschillende woorden dat de verdachten en getuigen gebruikten tijdens de zittingen. Voor de oude boer telde hij er amper dertig tot vijfendertig! Anderen gingen tot honderdvijftig. Driehonderd was veel. Meer dan eens hoort Giono hoe Gaston Dominici de woorden van de voorzitter niet precies begrijpt, hoe iemand een andere betekenis geeft aan bepaalde uitdrukkingen. Als Giono vraagt, of een verklaring getrouw in het proces-verbaal werd opgenomen, antwoordt men hem: Jazeker, scrupuleus. Men heeft ze alleen mis en français.Aan de taal op het proces-Dominici heeft ook Roland Barthes in 1956 een artikel gewijd, een geleerd stuk dat je nu kunt terugvinden in zijn bundel Mythologies. Barthes spreekt over een onmogelijke wisselwerking tussen een gerecht dat een officiële taal hanteert en een verdachte buitenmens die een etnografische variant spreekt, een pittoreske maar heel andere taal. Het leidt tot een dovemansgesprek waarin alleen de taal van de rechters meetelt. In de ogen van Barthes krijgt dit conflict een zeer brede betekenis die elk van ons in de moderne samenleving bedreigt.* * *De drie slachtoffers zijn niet naar Engeland overgebracht. Zij liggen in het kerkhofpark van Forcalquier. Drie graven naast elkaar, elk met een bruinhouten kruis waarop alleen hun namen staan. Het dochtertje ligt in t midden en heeft ook een zerk gekregen. Daar staat op te lezen (maar de namen zijn fout gespeld): Jack Drummond and his wifeandElisabeth their daughter5th august 1952They were lovely and pleasantin their livesand in their deaththey were not divided.De drie graven zijn altijd goed onderhouden. Geregeld krijgen zij bezoek. Toeristen komen er naar kijken. Op de zerk van het kind staat in t midden een potje met heidebloemen en rond haar kruis heeft iemand een paternoster gesnoerd. Bonte plastieken bloemen liggen op het kiezelbed van de ouders.Op een zonnige lentevoormiddag zijn we in het nabije Lurs ook naar het graf van Gaston Dominici gaan zoeken. Het dorp lag op zijn bergtop te blinken in de zon. Zijn grijze rotsstenen werden wit van het licht. Enkele tientallen jaren geleden was het nog grotendeels verlaten. Nu krijgt elke muur een opknapbeurt, de ene na de andere. Net buiten de stadspoort wacht een nieuw hotel op zomergasten. Er zijn geen winkels.Slechts enkele mensen kwamen we tegen. Een man die met een hond rondwandelde, wist niet of Dominici al dan niet in Lurs was begraven. Hij sprak er tegen zijn zin over. Cest une histoire quon a oubliée. Een paar honderd meter verder, op het kleine kerkhof, lagen verscheidene naamloze zerken, maar ook een enorme grafsteen van ene familie Dominici, met menige naam maar geen Gaston.Op weg naar de Route Napoléon konden twee vrouwen ons niet precies vertellen, waar La Grande Terre gelegen was. Ginder, ongeveer, tussen het klooster en kilometerpaal nummer ik-weet-het-niet-meer, in de negentig... Een tijdlang is de boerderij een restaurant geweest, nu is ze weer verkocht, voor weinig geld, aan de eerste die er op bood. Ze staat er somber en vervallen bij. Cest une maison maudite, monsieur.De aanleg van een snelweg in de buurt heeft het landschap aangetast, de verbreding van de Route Napoléon slorpte de plaats van de misdaad gedeeltelijk op. Maar het brugje over een smalle waterloop, waar de kleine Elisabeth werd gevonden, is er nog. Er liggen vaak bloemen. Plastieken bloemen.