Het geld van de burgemeester

'In een ongewoon intense set deden de snijdende sax van gastsolist Dave Liebman en het bevlogen geluid van het Brussels Jazz Orchestra zondagavond Jazz Middelheim nog even opveren.' Zo kon u vorige week op deze plek lezen. De inkt was nog niet opgedroogd of het Brussels Jazz Orchestra deed na Jazz Middelheim ook de minister van Cultuur en de hele muzieksector opveren. Het BJO trekt naar de Raad van State omdat het van de gevraagde 377.000 euro subsidie er slechts 180.000 krijgt. Zeker, de besparingsronde trof alle uitverkorenen. Maar volgens de raadsman van het BJO is er geen motivering waarom het orkest zoveel moest inleveren. Evenmin valt te achterhalen volgens welke sleutel het verlaagde bedrag in de grote pot werd verdeeld. De raadsman koestert daarom het vermoeden van willekeur. Misschien heeft het BJO daar wel een punt. Willekeur is nu eenmaal een van de steunpilaren van elke administratie, een organisme in de eerste plaats berekend op het in stand houden van zich zelf. Spannend is wel dat de discussie over dit kleine postje op de totale rekening de hele sector kan verlammen. Als ik het goed begrijp, komen bij betwisting immers alle beslissingen op de helling te staan en wordt de hele subsidiehap voorlopig weer in de koelkast gezet. Het is niet zeker of het BJO bij bevriende gezelschappen daarmee veel goodwill zal creeren. Van de rode lichtjes van New Orleans naar de kantoren van de Vlaamse Gemeenschap en straks, wie weet, naar het Hof van Straatsburg. De jazz heeft een lange weg afgelegd. Verdeelsleutels en objectieve motiveringen terzijde, het naakte bedrag van 180.000 euro zet wel aan het denken. Het is natuurlijk twee keer niks voor een orkest dat tien jaar bestaat, in zijn genre tot het allerbeste ter wereld behoort en dertien muzikanten aan het werk zet. Het wordt zelfs nog minder dan twee keer niks als je het vergelijkt met de centen van het gemiddelde kamerensemble. En daarvan zijn er vele - terwijl in de jazzwereld naast het BJO alleen Octurn nog een klein beetje geld krijgt toegestopt. Hoe verlicht het nog jonge muziekdecreet ook mag zijn, hoezeer de jazz naar het schijnt ook in de lift mag zitten en helemaal terug is, de doorluchtige klassieke muziek blijft hoe dan ook nog altijd een voetje voor hebben. Anderzijds blijft die 180.000 euro nog altijd een veelvoud van wat in Antwerpen het Free Music festival krijgt om elk jaar een volledig en wereldomspannend genre in beeld te brengen. En nog altijd een veelvoud van wat die geimproviseerde muziek in haar geheel aan kruimels onder de tafel vindt. Maar ja, die afgelegen sector is nog slechter georganiseerd dan het middenveld van de jazz. Nog minder salonfahig, nog minder goed in dossiers, nog minder zakelijk ingesteld. En in het geheel niet voorzien van raadslieden. Hoewel. Ik heb soms de indruk de naam van Fred van Hove, meesterimprovisator zonder secretariaat, management en artistieke residentie, vaker op de affiches van internationale festivals aan te treffen dan die van het BJO, goed omkaderd, kind aan huis in Flagey en geassocieerd met internationale gastsolisten, arrangeurs, vedetten. Zou het professionele en vrij toegankelijke BJO als product met internationale allures dan echt geen kans maken om een heel klein beetje vaker op een van die 250 festivals in Frankrijk te spelen, om van de rest van Europa nog maar te zwijgen? Misschien is mijn indruk een vage indruk en heb ik de overstelpende festivalkalender niet helemaal goed bijgehouden, maar het eigen vermogen blijft een interessante vraag in het debat over de centen. De verhoudingen zijn wel eens vaker zoek tussen de wereld van de jazz en de wereld van het geld en de administratie. Zo wil in Sint-Joost-ten-Node de burgervader al jaren een jazzmuseum openen in een oud spoorwegstation, op een plek waar nauwelijks een hond voorbijkomt. Het lachwekkende plan steekt telkens weer de kop op en kwam pas weer op tafel en in de kranten. Waar de miljoenen euro's voor renovatie en personeel precies vandaan komen wil ik niet eens weten. Misschien wel uit een of ander Europees fonds, hopelijk niet uit de gemeentelijke kas. Sint-Joost is een van de armste stadsstaatjes van Brussel. Dat het land al een schitterend jazzmuseum heeft (in Luik) wil de burgemeester niet weten. Dat de clubs in Brussel nauwelijks het hoofd boven water houden, mag deze volstrekt nutteloze uitgave kennelijk niet in de weg staan. Dat de hoofdstad niet eens een behoorlijk festival heeft al evenmin. Dat het museum, nog altijd volgens dezelfde burgervader, aan internationale muzikanten via een databank de mogelijkheid zou bieden om (eindelijk!) contacten te leggen met Belgische collega's is te gek om los te lopen - dat lukt al jaren vanzelf. Dat de burgemeester na zijn uren drumt in een amateurorkestje heeft met dit alles natuurlijk niets te maken. Heren/dames van het BJO, Octurn, Free Music: allen op naar Sint-Joost om het geld van de burgemeester af te pakken! Rob LEURENTOP