Het geslachtsleven der bladluizen

De ten onrechte vergeten Berlijnse journalist Victor Auburtin (1870-1928) wond zich in 1922 in het Berliner Tageblatt op over de uitwassen van de literatuurkritiek. Er waren studies verschenen waarin bewezen werd dat Dante een buitenechtelijke zoon had. Buitengewoon belangrijk nieuws, schreef hij spottend en hij deed meteen een voorstel voor critici die vertwijfeld naar een onderwerp zochten: konden zij niet onderzoeken of Homerus misschien een geslachtsziekte had? Er zijn rozenkwekers, schreef Auburtin aan het eind van zijn bijdrage, die zich meer met bladluizen bezighouden dan met rozen.Van literatuurcriticus Mark Schaevers verscheen zojuist Oostende, een zomer in 1936, waarin hij het verblijf van Duitse exilschrijvers in de badplaats beschrijft. Hij maakt de lezer bekend met het wel en wee van enkele bekende en minder bekende Duitstalige auteurs die elkaar in de zomer van 1936 en 1937 in Oostende ontmoetten: o.a. Joseph Roth, Irmgard Keun, Egon Erwin Kisch, Hermann Kesten en Stefan Zweig. Hij beschrijft hun levens van maand tot maand en citeert daarbij uit de bestaande correspondentie, (auto)biografieën en interviews. De politieke context en de reden van hun vlucht laat hij grotendeels buiten beschouwing. Zijn belangstelling gaat vooral uit naar anekdotes, waarbij hij niet lijkt te beseffen dat er themas zijn die zich niet voor een anekdotische aanpak lenen. Hij beperkt zich bij de keuze van de citaten tot het uiterlijk van de schrijvers, hun eet- en drinkgewoonten, hun onderlinge verhoudingen en geruzie. Het is een onbezorgd badseizoen, lijkt Schaevers daarmee te willen zeggen. De tragiek van de gevluchte schrijvers komt in het tweede deel - Herfst en De zomer van 1937 - summier aan bod.Schaevers slaagt er vrijwel niet in de materiële en psychische nood van de auteurs duidelijk te maken die in en na 1933 gedwongen waren het Duitse Rijk te verlaten. Aan hun ellendige situatie gaat hij grotendeels voorbij. Velen moesten Duitsland hals over kop verlaten met achterlating van hun bezittingen. Sommigen werden letterlijk opgejaagd: in 1933 hadden ze Duitsland verlaten en waanden ze zich in Tsjechoslovakije, Frankrijk of Oostenrijk in veiligheid. Nadat Duitse troepen deze landen waren binnengevallen, moesten zij opnieuw vluchten. Vele ballingen woonden voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in Nice, Parijs of Londen en brachten de zomer als vanouds in Oostende door. Maar van een onbezorgde strandvakantie kon geen sprake zijn.Vluchtelingen uit Duitsland die illegaal naar een ander land waren gegaan, liepen kans gearresteerd te worden, in een kamp te worden opgesloten en te worden uitgewezen. Wie een verblijfsvergunning had weten te krijgen, moest vaak ver onder zijn of haar niveau werken. Een groep emigranten die het extra moeilijk had, waren schrijvers. Volgens schattingen vluchtten er circa 2.500 uit Duitsland. Ze waren hun lezerspubliek, hun moedertaal en cultuur kwijt en hun boeken werden in Duitsland verboden. Velen waren er niet tegen opgewassen van land naar land gejaagd te worden en de vertwijfeling over hun lot dreef velen tot zelfmoord. Het topje van de ijsberg: Ernst Toller maakte in New York een eind aan zijn leven, Walter Benjamin aan de Frans-Spaanse grens, Ernst Weiß en Carl Einstein in Frankrijk, Stefan Zweig in Brazilië en Joseph Roth dronk zich dood.NonchalantDat de situatie voor de verdreven schrijvers bedreigend was, komt in Schaevers boek nauwelijks ter sprake. Dat heeft te maken met zijn keuze van de citaten, zijn nonchalante stijl en slordigheid. Om authenticiteit te suggereren gebruikt hij wendingen als geloof ik en denk ik. Door zijn commentaar bij de fotos die in het boek zijn opgenomen, wekt hij de indruk een album met oude bekenden te hebben samengesteld: Hier heb je links Roth, luidt Schaevers commentaar bij een foto, een foto uit 1929, rechts Kesten, een foto van een paar jaar later (van de rechterfoto heb ik trouwens Walter Landauer moeten knippen.)Wie in de intieme details van schrijvers geïnteresseerd is, komt in dit boek volop aan zijn trekken. Schaevers citeert bijvoorbeeld Zweig die gezegd zou hebben dat Ernst Toller geen kaas en koffie in zijn Londense woning had. We krijgen onder meer informatie over de verhouding tussen Roth en Keun, lezen wat Keun graag eet, wat ze drinkt, welke kleren ze nodig heeft, dat ze problemen met haar haar heeft en volgens Hermann Kesten knappe en rode lippen heeft. Moegebeukt met onnozele details kijk je ook niet meer vreemd op van het volgende citaat: Geïnspireerd door haar vriendin Ria, die veel onder haar menstruatie te lijden heeft, noemt Irmard Keun haar maandstonden rias.Had de bovengenoemde Auburtin in deze tijd geleefd, dan had zijn citaat waarschijnlijk als volgt geformuleerd: Er zijn rozenkwekers die zich meer met het geslachtsleven en de drinkgewoontes van bladluizen bezighouden dan met rozen.Jaap GRAVEMark SchaeversOostende,een zomer in 1936, uitgeverij Atlas, 176 p., ISBN 90-4500-595-6.