Het glaspaleis van Laken

De koninklijke wereld van royale doorluchtigheid is een doorzichtig sprookjesachtig glaspaleis. Meer dan honderd jaar eerder dan onze haastige tijdgenoten die zich met veel mediavertoon en gegaap van buitenuit opsloten in glazen biosferen, had koning Leopold II in de koninklijke tuinen van zijn Lakense residentie al zijn eigen ideale kosmos uitgebouwd. Onder het glas van deze groene huizen kiemde het zaad van de art nouveau. Koningin Fabiola plukte er later met veel heimwee naar haar Spaanse geboorteland appelsienen en de trendgevoelige koningin Paola koestert er haar eigenste bamboeserre.Eind april, begin mei zijn de Koninklijke Serres van Laken traditioneel heel eventjes voor een groot publiek toegankelijk. Koning Leopold II, die dit gigantische complex liet bouwen en aanplanten, wilde dat al zo. In zijn tijd was dat moeilijker, want hij woonde er echt.Leopold II wijdde de serres in op 21 december 1891, in aanwezigheid van de arbeiders en de ondernemers die het ideale glaspaleis tot s konings grote voldoening hadden gerealiseerd. Leopold II genoot er 18 jaar lang met volle teugen van. Op 17 december 1909 overleed hij - in zijn serres. Gedurende zijn laatste levensjaren had de vorst zich teruggetrokken in zijn Palmenpaviljoen, dat was opgezet als koninklijk privé-appartement. Het lag vlakbij de IJzeren Kerk, een gebedshuis dat van een goddelijke helderheid en doorzichtigheid was.De aanzet tot dit (toen) meest luxueuze serrecomplex ter wereld was er al voor de Belgische Omwenteling van 1830 en de installatie van de Dynastie der Coburgers in 1831. Al onder de Hollandse bezetting groeide het idee voor de bouw van koninklijke serres. De Nederlandse koning Willem I liet tussen 1817 en 1819 op amper 100 meter van zijn residentie op de Lakense Schonenberg een oranjerie in klassieke stijl bouwen door de Dinantse architect Henry. De eerste Belgische koning van de Coburgers, Leopold I, gebruikte zijn Lakense residentie als een soort zomerpaleis. Zijne koninklijke hoogheid had bovendien groene vingers, hij koesterde een zwak voor alles wat te maken had met land- en tuinbouw. Bij zijn overlijden in 1865, toen Leopold II de troon beklom, prijkten er in het domein van Laken vier serres. Een daarvan was de Rijschoolserre, die inmiddels niet meer bestaat. Ze stond vol orchideeën.Vanaf 1879 liet Leopold II daar gaandeweg een compleet serrecomplex uitbouwen. Het begon met de Theaterserre en de Eetzaal. Deze laatste zou eigenlijk nooit echt dienst doen als serre. Tot 1891 zou de koning nog volop nieuwe serreplannen blijven maken en die ook laten uitvoeren. En het werd niet zomaar wat. Daarvan getuigt onder meer de Wintertuin, die zeer groots en majestatisch oogt en letterlijk werd bekroond met een opzichtige kroon. Zevenhonderd meter verderop, aan de andere kant, kwam het gigantische Palmenpaviljoen met de IJzeren Kerk: een koninklijk verblijf en een koninklijke kerk. Het ging telkens om serreconstructies die werden uitgevoerd in staal, ijzer en glas. Het geheel was een haast oneindig lijkende aaneenschakeling van serrehallen, serresalons, serregangen en serregalerijen opgeluisterd met vooral uitheemse bloemen, planten en bomen.De koning kon van het paleis naar de serre zonder één voet in de open lucht te zetten. Het was een droom van exotisme, met het hele jaar door zomerse en zuiderse natuurpracht aan de koninklijke achterdeur.Aan de constructie van de Lakense serres is te zien dat Leopold II veel belang hechtte aan snelle verbindingen. Alle serres zijn met gangen met elkaar verbonden en op de kruispunten werd telkens een ruimere serrehal uitgebouwd. Deze meestal spatieus opgevatte verbindingsserres werden ook wel gebruikt als salons of museumkamers.Toen de bouwheer besliste om een serrecomplex uit te bouwen, nam hij zijn koninklijk bouwmeester Alphonse Balat (1819-1895) in de arm. Leopold II vertrouwde hem in eerste plaats de opdracht toe om de oranjerie uit te breiden met een Wintertuin. Die kreeg een centraal verwarmingssysteem, ontworpen door de Gentse ingenieur De la Croix. Tussendoor wees de vorst de Engelse tuinarchitect John Wills aan voor het aanleggen van rotspartijen en het uitzetten van een royaal uitgedachte exotische beplanting.Van al de serres is alleen de Maquetserre niet van de hand van architect Balat. De rest is allemaal aan zijn tekentafel ontstaan en grotendeels onder zijn leiding uitgevoerd. Bij de verwezenlijking van het bouwprogramma had Balat het niet onder de markt. Leopold II stelde nogal wat eisen, bestudeerde zelf de ontwerpen, liet plannen aanpassen en zelfs compleet opnieuw maken.De serres van Laken werden uiteindelijk een harmonisch samengaan van elementen die we even later terugvinden in de art nouveau, vooral dan in de Brusselse florale versie daarvan. Het is dus niet toevallig dat de Belgische hoofdstad aan de wieg stond van deze baanbrekende stijl. Balat gaf zijn werkwijze en inzichten door aan zijn leerlingen. Eén van hen, Victor Horta, groeide vrij snel uit tot een van de virtuozen van de art nouveau.De bezoeker van de serres komt het koninklijke domein van Laken binnen via Erehekkens. Een korte wandeling leidt langs en door de Koninklijke Stoeterijen. Dan gaat het over de grote centrale oprijlaan van het kasteel via de oranjerie naar het echte glaspaleis van Leopold II. Hier staan de sinaasappelbomen - sommige daarvan zijn meer dan 200 jaar, ouder dus dan België. De oranjerie wordt geflankeerd door de Theaterserre en de Eetzaal. Het zogenaamde Bijgebouw van de Boomvarens verbindt de oranjerie met de kathedraalachtige Wintertuin. Ten zuiden daarvan strekt zich de Cameliaserre uit, wereldberoemd voor haar vele variëteiten. Van hieruit maakt het Bijgebouw van de Palmen de directe verbinding met de Congoserre. Deze moest in feite de evocatie vormen van en in een later stadium de herinnering aan Congo-Vrijstaat, het koninklijk privé-bezit van tachtig maal de oppervlakte van België waar Leopold II aanvankelijk als alleenheerser de scepter zwaaide. Deze serre staat vol met tropische planten en bomen, hoewel het aanvankelijk de bedoeling was hier uitsluitend vegetatie uit Congo samen te brengen. Vlakbij is er de Embarcadère, waar bezoekers bij ontvangsten en tijdens serrefeestelijkheden naar binnen kwamen nadat voorrijdende koetsiers hen daar hadden laten uitstappen.In de onmiddellijke buurt is er de Maquetserre. Meestal wordt voor het publiek de verbinding naar de Spiegelserre gemaakt via de Ondergrondse Galerij. In de Dianaserre die daarop volgt, staat een beeld van de godin van de jacht. Meteen daarna zorgt het eerste deel van de vrij lange Geraniumgalerij voor een doorloop naar de Azaleaserre. Vlakbij overleed de koning-urbanist, in zijn Palmenserre. Hier komt de bezoeker in de buurt van de Sacristie die naar de IJzeren Kerk leidt. In deze 25 meter hoge en van een toren voorziene centrale bouw met negen kranskapellen en een portaalkapel heeft naar verluidt inderdaad zeer lang een altaar gestaan. JRKoninklijke Serres van Laken, Koninklijke Parklaan, Laken. Inlichtingen: 02/551.20.20 en 02/551.34.01. Nog open tot 6 mei: op dinsdag, woensdag en donderdag van 9u.30 tot 16 uur; op vrijdag van 13 tot 16 uur en nocturnes van 20 tot 23 uur;op zaterdag en zondag van 9u.30 tot 16 uur en nocturnes van 20tot 23 uur; op dinsdag 24 april uitsluitend voor mindervaliden. Gesloten op maandag. Toegang: 50 frank; avondbezoekenof nocturnes: 100 frank.