Het inflatiedebat

Mede door de stijging van de olieprijzen en de vrijwel synchrone expansiefase van de wereldconjunctuur rijst de vraag of er geen gevaar dreigt voor een heroplaaiing van de inflatie. In de VS lagen de consumptieprijzen in februari al 3,2 procent hoger dan vorig jaar en bereikten ze daarmee meteen hun hoogste peil in drie jaar, in euroland bereikte de inflatie 2,0 procent (het gaat dan wel telkens om de echte inflatie, olieproducten inbegrepen). De twee grote centrale banken, de Federal Reserve en de Europese Centrale Bank, namen het zekere voor het onzekere, en verhoogden hun spiltarief met een kwart punt tot respectievelijk 6,0 procent en 3,5 procent.Toch is er niet echt reden tot overmatige bezorgdheid. De stijging van de olieprijzen is recent stilgevallen en zelfs omgeslagen: de lente komt eraan (wat alvast de vraag naar huisbrandolie doet afnemen), en de gematigde olieproducerende landen draaien binnenkort wellicht de kraan wat verder open. Bovendien is de nieuwe economie een inflatiematigende factor. Immers, met de nieuwe technologie stijgt de productiviteit dermate dat de overigens erg matige looneisen niet doorsijpelen in de kosten per geproduceerde eenheid (in het vierde kwartaal van vorig jaar produceerden de Amerikaanse werknemers per uur 6,4 procent meer, waardoor de loonkosten met 2,5 procent konden dalen). Bovendien zitten steeds meer bedrijven op het internet, wat de concurrentie nog verscherpt en het prijszettingsvermogen (pricing power) van de bedrijven beperkt. Kortom, forse prijsstijgingen zijn er niet meer bij. In het laatste kwartaal van vorig jaar steeg het BBP in de VS met 6,9 procent op jaarbasis, en het ziet er niet naar uit dat het tempo fel zal vertragen. In februari haalde de kleinhandel een omzet die 1,1 procent hoger lag dan in januari en 9,4 procent hoger dan het jaar voordien. Bovendien blijft het consumentenvertrouwen als sinds december bestendig boven 140 punten. Het addertje in het gras komt uit Wall Street. Volgens de Federal Reserve is het weelde-effect (zeg maar de potentiële beursmeerwaarden) goed voor 31,7 procent van de gezinsvermogens, tegenover 28,3 procent in 1998. Als de tendens in Wall Street omslaat, kan dat het verbruik en bijgevolg ook de groei afremmen. Tenzij Wall Street binnenkort weer opveert, verwachten wij daarom een geleidelijke vertraging van de Amerikaanse economie.In Japan daalde het BBP tijdens het vierde kwartaal van vorig jaar met 5,5 procent op jaarbasis. Het gezinsverbruik liep daarbij met 6,3 procent terug. De eerste indicatoren voor dit jaar brengen evenwel beter nieuws: in januari werden van 16,8 procent meer nieuwe huizen de bouw aangevat, de machinebouwindustrie kreeg 22 procent meer orders binnen, de industriële productie nam toe met 6,5 procent. Voorts is het consumentenvertrouwen aan de beterhand. Positief is alleszins dat de bedrijfsherstructureringen voortgezet worden, wat Japan op termijn voorgoed uit het slop kan halen.De economische groei in euroland versnelt. Dat wordt bevestigd door de laatste definitieve cijfers: + 2,3 procent in het derde en + 3,1 procent in het vierde kwartaal van vorig jaar.In Duitsland, nog steeds de grootste eurolandeconomie, zijn heel wat voorlopende indicatoren verder gestegen: de IFO-conjunctuurbarometer steeg in februari tot 100,9, de machinebouwindustrie is optimistisch gestemd en ook de exportverwachtingen zijn hoog gespannen. Voorts neemt de werkloosheid af, maar dat is alsnog niet overtuigend tot uiting gekomen in de kleinhandelsomzet. Die zakte in januari 1,5 procent onder zijn vergelijkbaar peil van vorig jaar.In Frankrijk kan de economie zich dit jaar verder optrekken aan het gezinsverbruik. Vorig jaar werden er 350.000 nieuwe banen gecreëerd (+ 2,5 procent), zodat de werkloosheid almaar verder terugloopt (- 11,7 procent in januari van dit jaar). Niet alleen zijn er dus meer mensen aan het werk, bovendien zijn er ook plannen om de belastingen op de lagere inkomens te verlagen. De Franse patroons zijn dan weer van plan om dit jaar 9 procent meer te investeren. Ook Italië doet het lang niet slecht. In het vierde kwartaal van vorig jaar kwamen de export en de bedrijfsinvesteringen respectievelijk 6,2 procent en 6,6 procent hoger uit dan in 1998. Positief is voorts dat het begrotingstekort eind vorig jaar teruggedrongen was tot 1,9 procent van het BBP, van 2,8 procent eind 1998. Wel is de inflatie in februari opgelopen tot 2,4 procent, wat de koopkracht van de lonen en het consumentenvertrouwen enigszins een deuk gegeven heeft.Spanje kan een mooi rapport voorleggen: vorig jaar groeide het BBP met 3,7 procent, het begrotingstekort bedroeg amper 1,2 procent van het BBP en er kwamen 401.400 banen bij. De expansie van de Spaanse economie ging dan wel gepaard met wat meer inflatie dan elders in euroland: 3,0 procent in februari.Nederland presteerde al even fraai, met een BBP-groei die vorig jaar 3,5 procent bereikte. Onze noorderburen hebben nu bovendien een begrotingsoverschot, gelijk aan 0,5 procent van het BBP. De drukke economische activiteit heeft evenwel ook daar aanleiding gegeven tot wat meer inflatie (2,0 procent in februari). Zowel Spanje als Nederland waren dan ook blij met de jongste renteverhoging van de ECB.Alles bij elkaar zien wij de economie in euroland dit jaar groeien met 3,3 procent. Voor de VS verwachten wij 4,3 procent groei, zodat het groeiverschil in het voordeel van de Amerikanen blijft bestaan.In het Verenigd Koninkrijk kwamen de industriële productie en de kleinhandelsomzet in januari 2,1 procent en 5,5 procent hoger uit, terwijl de werkloosheidsgraad terugviel tot 4 procent. Op de Britse arbeidsmarkt zorgt dat voor heel wat spanningen, maar de sterke koers van het pond beperkt de gevolgen van de looneisen op de verkoopprijzen. Inmiddels duikt een oud zeer weer op: de prijzen van de woningen stegen met 16 procent, en dat was eerder al een reden voor de Bank of England om de rente te verhogen. Bron: BBL-Studiedienst