Advertentie
Advertentie

Het kamp van Lokeren, 1944-47

Nog voor de Geallieerde Legers België bevrijd hadden, bestonden er al plannen of voornemens om landgenoten, die tijdens de Tweede Wereldoorlog met de Duitsers hadden gesympathiseerd, te straffen. De repressie en epuratie namen zon enorme proporties aan, dat de nasleep ervan nog tientallen jaren bleef doorwegen op de binnenlandse politieke agenda. De uitwassen ervan creëerden martelaren en zorgden voor een soort legendevorming in het Vlaams-nationale kamp. Maar ook in het vaderlandslievende kamp wordt de discussie dikwijls gevoerd met emotionele of irrelevante argumenten. Aan de hand van de toestand in het interneringskamp van Lokeren brengt Björn Rzoska een objectief verhaal.Dat Rzoska zelf bestaat, is al een merkwaardig feit op zich. Zijn grootvader langs vaderskant was een Poolse militair, die in 1944 deel uitmaakte van het bevrijdingsleger, zijn vrouw liet overkomen uit Polen en zich in Waasmunster vestigde. Zijn grootvader langs moederskant was fout geweest tijdens de oorlog en moest een deel van zijn straf uitzitten in het kamp van Lokeren. Het is een klein wonder dat mijn ouders, met hun totaal verschillende achtergronden, in 1972 met elkaar trouwden, geeft de auteur toe.Tijdens de periode 1944-1949 werden er 405.067 dossiers tegen al dan niet vermeende collaborateurs aangelegd. Daarvan werden er bijna 300.000 zonder gevolg geklasseerd. In 57.254 gevallen kwam het tot een strafrechtszaak. Ongeveer 53.000 personen liepen ook een straf op. In 59.712 dossiers kwam het tot een buitenvervolgingstelling.In het naoorlogse Vlaams nationalisme wordt het hele repressiegebeuren verengd tot de eerste drie, vier maanden na de bevrijding. Deze korte periode kenmerkt zich door verwarring, chaos en angst. In het machtsvacuüm werden collaborateurs en verdachten vaak wederrechtelijk opgepakt, mishandeld en in een aantal gevallen zelfs wederrechtelijk geëxecuteerd. Bovendien waren de hygiënische omstandigheden in de meeste tijdelijke centra bedroevend. Die toestand wordt uitvergroot en als kenmerkend beschouwd voor alle interneringscentra tijdens de hele repressieperiode. Rzoska tracht de mythes te ontrafelen door nieuwe informatiebronnen aan te boren. Daarbij horen de personeelsdossiers van de kampbewakers en de opsluitingsdossiers van de geïnterneerden. Zo kreeg hij zicht op een grote groep mensen, die later zelden ter sprake kwamen in de discussies: die van personen, die wel geïnterneerd werden, maar nooit een veroordeling opliepen.Het kamp van Lokeren werd in opdracht en onder leiding van de Duitse militaire overheid opgetrokken. De grondeigenaars boden wel enig weerwerk, maar begin 1941 stond het kamp er. Eigenlijk moest het fungeren als doorvoerkamp voor Britse krijgsgevangenen, die tijdens de invasie van Engeland in Duitse handen moesten vallen. Maar in 1941 was het al duidelijk dat die invasie er niet zou komen. Het kamp werd als opslagplaats voor bouwmaterialen gebruikt en vanaf einde 1942 als strafinrichting voor administratief veroordeelden ingericht. Vanaf september 1944, meteen na de bevrijding, gebruikte de Belgische overheid het kamp om er zwarten in op te sluiten.Rzoska gaat meteen in op de primitieve levensomstandigheden in het kamp, waar oude confituurdozen als nachtpot fungeerden en de stok, een rudimentair, gemeenschappelijk toilet, een belangrijke sociale functie kreeg. Enigszins onderbelicht blijft de rol van Hoog Commissaris Walter Ganshof van der Meersch, wiens naam in meer delicate dossiers uit de periode 1940-1945 opduikt. Zijn oudere broer François Louis komt beter in beeld. Deze prof aan de Gentse universiteit was bij de bevrijding door zijn broer aangesteld tot eerste kapitein bij de diensten van het Hoog Commissariaat. Hij bracht verslag uit over de toestand in de interneringskampen. Daarbij aarzelde hij niet mistoestanden zoals het gebrek aan elementaire verwarming of het slapen op los stro aan te klagen. Ganshof noteerde dat er in Lokeren 200 verdachten waren met vlooien en 50 met schurft. Omdat de overheid niet snel genoeg kon reageren, liet hij voor de levering van strozakken en matrassen een beroep doen op de familie van de gedetineerden. Ook inzake de bevoorrading slaagde het ministerie van Justitie er niet in een efficiënte organisatie op te zetten. Soms was het voedsel bedorven, soms waren er grote tekorten. Ten slotte kregen de gedetineerden de toelating voedsel- en linnenpakketten te ontvangen van hun familie. Dat leidde tot aangrijpende taferelen aan de poort van het kamp. De wachtende familieleden werden door de voorbijgangers bespot. Vrouwen die met de trein naar Lokeren kwamen, werden aan de meegebrachte pakjes herkend en kregen het hard te verduren. In mei 1945 besliste de staatsveiligheid het pakjessysteem stop te zetten, na groeiend protest (tot aanvallen op de kampdirectie toe) uit kringen van oud-krijgsgevangenen. Een vroege vorm van emocratie? Een van de felste proteststemmen was die van Florent Claeyé, die bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1938 nog een met Rex gelieerde lijst had aangevoerd.Rzoska schildert een positief beeld van kampaalmoezenier Longinus de Munter, die met weinig enthousiasme maar met veel plichtsbesef het kamp binnenstapte. Tijdens de oorlog had hij problemen gehad vanwege de anti-Duitse inhoud van zijn preken, maar ondanks zijn politieke gezindheid achtte hij het zijn taak geestelijke bijstand te verlenen aan iedereen. Al na enkele weken raakte De Munter ervan overtuigd dat de meeste geïnterneerden onschuldig waren of slechts kleine fouten hadden begaan. Stilaan ging De Munter zich ook bezighouden met het lenigen van materiële noden. De wijde paterskleren boden niet alleen plaats voor briefjes van en aan de familie, maar ook aan brood en ander voedsel. Ook bewakers leverden zulke diensten, maar dat kostte wel geld. Dank zij het fotografische talent van De Munter bezorgen de illustraties Rzoskas boek een flinke documentaire meerwaarde.De stelling dat in de kampen vooral Vlaamse intellectuelen opgesloten werden, verwijst Rzoska naar fabeltjesland. Bijna 38 procent van de opgeslotenen waren arbeiders, naast meer dan 33 procent kleine zelfstandigen, ambachtslieden en landbouwers. Studenten en onderwijzers waren wel oververtegenwoordigd, maar hun aandeel bedroeg niet veel meer dan 3 procent van het totaal. Opmerkelijk is dat een veel groter percentage van de arbeiders veroordeeld werd dan bij de hogere sociale klassen, die een gewiekstere advocaat konden betalen. De auteur ging ook de achtergrond van het bewakend personeel na. Hij ontdekte daarbij onder meer dat 6,7 procent van hen tijdens de oorlog op vrijwillige basis als arbeider in Duitsland gewerkt had. Het kamp van Lokeren werd in 1947 gesloten. Al het houtwerk werd een jaar later bij opbod verkocht. Alleen de stenen gebouwen bleven bestaan. Later kwamen er op het terrein noodwoningen, een school en een voetbalveld. Sinds 1987 is het een kerkhof. KoMBjörn Rzoska - Zij komen allen aan de beurt, de Zwarten - Leuven, Davidsfonds,132 blz., 19,7 euro (795 fr.),ISBN 90-5826-009-7.