Het Nationaal Geografisch Instituut: van graveerstift tot ruimtesatelliet

(tijd) - Vandaag de dag heeft iedereen wel een wegenkaart, een stuk of wat stadsplattegronden en misschien nog een stapel fiets- of wandelkaarten. Dat die dingen er zijn, lijkt vanzelfsprekend, maar dat is niet altijd zo geweest. Toen België in 1830 ontstond, kon het nieuwe koninkrijk bij gebrek aan cartografisch materiaal niet eens zijn grenzen precies vastleggen. En dus werd het 'Depôt de la Guerre' opgericht, de voorloper van het huidige Nationaal Geografisch Instituut.In een prachtige elfde-eeuwse abdij van cisterciënzerzusters, net ten noorden van het Brusselse Terkamerenbos, ligt verscholen voor wie het niet kent het Nationaal Geografisch Instituut (NGI). De abdijgebouwen ademen eeuwen geschiedenis. De oude kaarten, de wereldbollen, de koperen meetinstrumenten in het bureau van de directeur van het instituut dateren duidelijk uit vroegere tijden. Maar kaarten maken gaat niet meer in zijn werk als in de tijd van Mercator. In de ateliers van het instituut vind je geen graveurs meer die met een saffierstift op litho's graveren. De cartografen van vandaag maken gebruik van hypermoderne technologie: geavanceerde computers, stereoscopen, digitale camera's, satellieten. 'Iedereen heeft hier zijn stiel opnieuw moeten leren. Niemand werkt hier nog op dezelfde manier als toen hij hier begon', zegt directeur Joël de Smet.