Advertentie
Advertentie

Het slechte geweten van het stripverhaal

Honderdvijftig jaar bestaat het stripverhaal, het is dus zo oud als de fotografie. Het stripverhaal begon als medium voor kinderen, dat wil amuseren, niet informeren. Fantasie en humor primeren, oneerbiedigheid is troef. Het verwijt van slechte smaak, te veel geweld, vulgariteit en amoraliteit is nooit ver weg. Het speelse, grillige, burleske verbindt het stripverhaal met de volkse, carnavaleske traditie. Het medium is tegelijk onhandelbaar én conservatief zoals de meeste humor trouwens. De fundamentele virtuositeit ervan zit in de gag, niet in de opbouw van een dramatische boog; het natuurlijke ritme ligt in de korte scène, niet in het verhaal. Het stripverhaal wordt door de humor als vroedvrouw op de wereld gezet. Wat een verschil met de ernstige fotografie!Strips waren getekende beelden bestemd voor de drukpers, voor massale, liefst dagelijkse reproductie. Vereenvoudiging in verhaal, personages, maar zeker ook in de grafische techniek was essentieel, inspelen op de actualiteit is een voortdurende mogelijkheid. De lezer doorbladerde, op het ritme van het dagelijkse strookje. Pas veel later maakte de strip zich los van de krant en koos men, althans in Europa, voor het album.Wie goed kijkt naar onze media ziet hoe ze in wisselende bondgenootschappen opereren. Strips hebben net als radio, televisie en fotografie een afgeleide positie. Ze recycleren wat elders in de grote geschiedenis, in het verleden, op het zilveren scherm te zien is geweest. Het stripverhaal is één van die vele fases waarin maatschappelijk materiaal verteerd wordt. Zoals de film de maatschappij onderhoudt door haar themas en obsessies te recycleren, zo doen strips dat vaak nog eens over. Iedere studie over de stripwereld zou moeten beginnen met de erkenning van die afgeleide positie. Een positie waardoor ze veel ontleent, maar ook in staat is om averechtse accenten, oneerbiedige humor en veel onzuiverheid te installeren.Onherroepelijk in de marge van culturele en intellectuele erkenning evolueert de strip op het grote ritme van nationale culturen en hun geschiedenis. De strip is veel minder een homogeen, internationaal verschijnsel zoals de animatiefilm maar blijft heel sterk voor een nationale markt, met nationale clichés en vooroordelen werken. Stripfiguren hebben een nationaliteit die een overplanting naar een andere cultuur zeer bemoeilijken. Ze komen uit de klei van een milieu zelden laat dat een internationale carrière toe. Maar ook vijandbeelden recycleren schaamteloos stereotypen. Het genre is dus vaak erg incorrect, met een natuurlijke aversie voor globalisering, net als de humor overigens. Daardoor is het de strip gelukt om een brede waaier aan nationale scholen in stand te houden iets wat film en televisie maar zeker niet de Schone Kunsten voor elkaar kregen.Culturele diversiteit bezit de strip dankzij de clichés en stereotypen. Maar ze bezit ook grafische diversiteit en vindingrijkheid, met een grafisch esperanto dat schril afsteekt tegen de complexiteit van de grafiek in de Schone Kunsten. Een van de mooiste stijlen is die van Hergé, die de helderheid uitzuiverde tot een nulgraad van persoonlijkheid. Iedere serie moet trouwens in eenzelfde stijl getekend worden van het eerste tot het honderdste album. Het mag een wonder heten dat binnen de stringente regels van het stripverhaal nog ruimte is voor zoveel verschillen.De late jaren zestig en de jaren zeventig zagen een spectaculaire explosie van de strip. Het medium schoof vele banken vooruit in de hiërarchie van maatschappelijke relevantie. De tegencultuur van die periode is niet los te denken van het tekenverhaal. Veel meer dan film vertolkte het getekende verhaal gevoelens, ideeën en reflexen, maar ook de contradicties van een generatie. Veel van het onuitspreekbare, verdrongene kwam uit de vieze pen van de striptekenaars (of is het niet juister: stripteaseuses?) naar boven. Hun woordspelingen, hun visuele bokkensprongen, hun geniale vulgariteit was de perfecte repliek op de vele, al te goede intenties. Geen enkele foto kon zo goed als een tekening van Reiser of later van Bretécher vatten wat de kracht en tegelijk de zwakheid van het moment was. Strips functioneerden als een wilde psychoanalyse.In die gloriedagen verschoof de status van het stripverhaal van die van jeugdliteratuur naar die van een medium voor volwassenen. De gag, de humor, de respectloosheid bleven de centrale mechaniek vormen, maar nu ongekuister. Die hoogdagen bleven niet duren en de strip ging weer enkele banken achteruit. Net zoals gebeurde met de film. Alleen televisie bleef, omdat die nauwelijks iets heeft geriskeerd. Toch bleef er een erfenis: stripmusea, referentieteksten, stripfestivals, kortom een institutionele basis. Precies in dezelfde periode gebeurde iets gelijkaardigs voor fotografie en voor film, waarvan de studie ook academische erkenning kreeg.Maar het museum is geen goede plek voor de strip. Opgehangen aan een muur, los uit krant of album, vallen de zwakheden op. Ook de specialisten die de catalogus bij de tentoonstelling in de Franse nationale bibliotheek volpenden, lijden aan de kwalen van de gepassioneerde amateur: zij moeten het vooral van encyclopedische kennis hebben en zijn weinig in staat tot reflectie. Een uitzondering is een zeer mooie tekst van Pierre Sterckx die heel helder grafische stijl analyseert. Ook de maatschappelijke context, de interferenties met andere media komen nauwelijks uit de verf, druk doende als men is om telkens de eigenheid van het medium te verdedigen. Zeer opvallend ten slotte is de afwezigheid van inhoudelijke analyses: hoe worden gags opgebouwd, naar welke stereotypen wordt verwezen, hoe zit de verhaallogica van een Blueberry (Charlier/Giraud) in elkaar? Door te zwijgen over de inhoud lijken de kenners te bevestigen wat de buitenwereld vreesde, namelijk dat de hier vertelde verhalen niets om het lijf hebben. Iets wat je als lezer van Kuifje tegelijk absurd én niet helemaal onterecht vindt. Het slechte geweten zit de stripwereld nog steeds diep; de al te drukke en speelse lay-out van de catalogus is daar een zoveelste symptoom van. DLMaîtres de la bande dessinée Européenne, in de Bibliothèque nationale de France, Tolbiac,tot 7 januari,iedere dag van 10 tot 19 uur,zondag van 12 tot 18 uur,gesloten op maandag.Tel.: 01/53.79.59.59,website: www.bnf.fr