Advertentie
Advertentie

Het verlangen naar heelheid

Rik Pinxten, antropoloog aan de universiteit van Gent, probeert in zijn boek De goddelijke fantasie een universeel kader voor het religieuze fenomeen uit te tekenen. Hij zet daartoe een vergelijkende studie op en zoekt veeleer naar gelijkenissen dan naar verschillen. De heelheid is voor hem het element dat alle religies met elkaar verbindt.Het religieuze is vandaag geen verouderd concept. Integendeel: het fundamentalisme is de voorbije decennia een probleem geworden voor de westers democratieën. De religie blijft voor velen een existentiële behoefte: een groot deel van de mensheid kan zich niet vinden in het hier en nu en zoekt naar meer. Vandaar de blijvende aandacht en fascinatie voor wat niet evident is. Dat uit zich onder meer in de belangstelling voor exotische oosterse belevingswijzen. Rik Pinxten spreekt in zijn boek niet over sekten omdat hij religies niet verdeelt in echte en onechte. Religie is voor hem een maatschappelijk fenomeen. Soms is het een vorm van conservatisme zowel in de goede als de slechte betekenis van het woord. Sommige religieuze groepen verzetten zich vandaag tegen de steeds voortschrijdende globalisering. Andere blijven achterhaalde waarden verdedigen en keren zich volledig van de moderniteit af. Pinxten wijst ook op een tendens binnen het atheïsme die naar een religieuze benadering vraagt.Pinxten onderzoekt de religies als een wetenschapper. Hij doet dit niet onbevooroordeeld: zijn boek is een pleidooi om het religieuze niet te veronachtzamen. Hij schrijft om te begrijpen en te aanvaarden. Hij plaatst zich daarom boven de eigen beperkingen van tijd, plaats en cultuur. Zoals vroeger de romanschrijver als een alleswetende god de wereld en de mensen overzag, zo wil Pinxten alle religies overzien. Uit dat onderzoek wil hij een aantal algemene, formele kenmerken halen die het religieuze bepalen. Hij ziet de religie als een belangrijke component van cultuur en sociaal-politieke tradities. Het religieuze vormt de identiteit van zowel het individu als de groep en is een zingevende actie. Het individu kan zich door zich binnen een religieuze groep te situeren overstijgen: hij of zij wordt meer dan louter een enkeling.Pinxten begint met een stand van zaken. Sedert de Verlichting hebben we een strikte scheidingswand opgetrokken tussen het geloof en de wetenschap. Wetenschap staat voor exacte, juiste en relevante kennis terwijl de godsdienst naar de privé-sfeer verbannen werd. Godsdienst had te maken met gevoelens als geborgenheid of nood aan steun maar kon in geen geval meer relevante kennis over mens en wereld bieden. Meer: de mens diende zich autonoom op te stellen en mocht zich niet laten leiden door dogmas. Pinxten wil die tweedeling tussen godsdienst en wetenschap relativeren en hij verwijst onder meer naar de irrationele intuïties waarmee wetenschappelijk inzicht begint. Maar wat de intenties of intuïties van de wetenschapper ook mogen zijn, wat telt zijn zijn of haar methodes en het resultaat. Geen enkele wetenschapper kan en zal het bestaan van irrationele kennis ontkennen. Evenmin zal hij of zij stellen dat wat intuïtief geweten is daarom foutief zou zijn. De wetenschap incalculeert zelfs uitdrukkelijk de intuïtie door met hypothesen te werken.Pinxten definieert in zijn boek een mensbeeld. Zoals wel vaker bij antropologen blijkt dat een cirkelredenering te zijn: wat hij wil aantonen, wordt in zijn definitie opgenomen. Pinxten ziet de mens als een biologische soort waarvan het culturele de menselijke handicap compenseert. Opvallend hierbij is dat hij niet over de mens als enkeling maar als soort spreekt. Dat de mens kan fantaseren ook om dat existentiële gemis te compenseren -, is in dit bestek belangrijk. De fantasie ligt namelijk aan de grondslag van de religie. Mensen stellen niet-functionele daden of daden die het overleven uitbeelden. In hun fantasie geven ze er een waarde aan die meer is dan de daad zelf. Het is op die manier de mens die de religie ontwerpt en in stand houdt. De titel van Pinxtens boek Goddelijke fantasie kan daarom verkeerd begrepen worden: het is niet de god die de mens fantaseert maar omgekeerd. Ook is het vreemd dat de titel het woord god bevat. Pinxten beweegt immers hemel en aarde om aan te tonen dat het religieuze fenomeen niet noodzakelijk een godsbegrip bevat.Om de verschillende religieuze tradities onder een noemer samen te brengen, introduceert Pinxten het begrip heelheid. Dat heeft het voordeel dat het godsbeeld radicaal uit het religieuze gebannen wordt maar het nadeel dat het een nogal wazig concept is. De heelheid omvat alles wat het individu overstijgt - zowel naar plaats als naar tijd. Het particuliere van elk individu wordt zo in relatie gebracht met andere generaties en andere plaatsen. De heelheid is als het ware een religieuze vertaling van het lekenbegrip universalisme - dat elk individu binnen het aardse gelijk stelt aan de ander maar het ook overstijgt. Zowel heelheid als universalisme impliceren een verantwoordelijkheid voor verleden, heden en toekomst. Omdat Pinxten het religieuze in een leerproces situeert (ook daarom is de groepsgerichtheid zo belangrijk) wordt het begrip heelheid ietwat geconcretiseerd. Een religie wordt een onderdeel van een culturele traditie en zorgt voor de overdracht van een aantal leerprocessen. Ze is dus zowel een onderdeel als een vormend element van een traditie. Dat is het positieve van dit boek: rituelen worden hier niet belachelijk gemaakt door te beweren dat ze uit duistere tijden stammen of discutabele aanleidingen hebben. Pinxten beschrijft religies in hun functionaliteit, in hun werking.Het begrip identiteit is daarbij belangrijk, zowel in positieve als in negatieve zin. Het individu ontleent waarde en zelfverzekerheid aan de groep waartoe hij zich bekent. Maar het begrip identiteit kan in het fundamentalisme ook dienen om muren op te bouwen tussen wij en zij. Pinxten en in die zin kunnen we hem naïef noemen - wil door kennisverwerving dat soort religieuze fanatisme vermijden. Hij wil door zijn vergelijkende methode aantonen dat de religieuze verschijningsvormen zeer verschillend kunnen zijn maar dat daaronder een gemeenschappelijkheid ligt die alle religies met elkaar verbindt. Een probleem van het boek is echter precies die ambitie om de religies met elkaar te vergelijken. Niet alle religies zijn immers grondig onderzocht en Pinxten geeft dat ook toe. Hij geeft daarom iets te veel dezelfde voorbeelden waardoor de bewijslast van zijn stelling verzwakt wordt.Pinxten onderscheidt binnen elke religie een aantal gelijke vormen. Hij analyseert de religieuze actie, de taal en de artefacten. Zij maken de leerprocessen binnen elke traditie mogelijk. De religieuze actie uit zich in rituelen, ceremonies, plechtigheden, sjamanistische handelingen. Pinxten toont aan dat de religieuze handeling het belangrijkste element is om het religieuze fenomeen te benaderen. Daarmee gaat hij regelrecht in tegen de door de mediterrane godsdiensten (jodendom, christendom en islam) gedomineerde godsdienstwetenschap. Daarin zijn het immers het woord en de tekst die de religie maken. Voor Pinxten zijn de observatie en de imitatie van handelingen de basis voor het aanleren van het religieuze. Het is door de juiste handelingen over te nemen dat getoond wordt wie tot de groep behoort en de leer begrijpt.De religieuze taal heeft veel affiniteit met wat wij poëzie noemen: beide hanteren doelbewust de ambiguïteit. De religieuze taal cirkelt rond de geloofsovertuigingen, is plechtig en gebruikt stijlmiddelen als de metafoor, de analogie en allegorie. De mythe neemt hier een belangrijke plaats in als een vorm van communicatie tussen de mens en het hogere. Ze bespreekt de relatie met het Al en probeert daarop in te grijpen. Pinxten bespreekt in dit verband het leven en de dood van Jezus Christus als een heldenmythe.Acties, woorden, overtuigingen kunnen geconcretiseerd worden in artefacten, in materiële voorwerpen. Ook hier is de variëteit overweldigend. Het gaat van heilige dieren over het geklingel van een bel tot de eerbiedige hoogmoed van de kathedralen. Ook morele en politieke systemen kunnen als een emanatie van het religieuze gezien worden. Pinxten toont aan dat het morele niet noodzakelijk een basis in het religieuze dient te hebben. Andere culturen dan de mediterrane godsdiensten laten de morele orde van de context afhangen. Zij bepalen goed en kwaad vanuit het moment en de omgeving en niet vanuit een dogma. Op die manier is de morele houding niet alleen minder statisch maar ook veel vrijer en toleranter.Pinxten spreekt niet over de waarheid van het religieuze. Hij gebruikt geen morele categorieën om de religies met elkaar te vergelijken. Hij wil nagaan hoe mensen bepaalde behoeften invullen. Een verdienste is zeker dat hij de religieuze woordenschat zuivert van de westerse vooringenomenheid. Zijn houding tegenover het fundamentalisme toont echter de dubbelzinnigheid tussen zijn universalistische houding en cultuurrelativisme. Naast de universalistische kern die hij in alle religies zoekt, is hij ook een cultuurrelativist die het fundamentalisme vergoelijkt. Hij maakt daarom een onderscheid tussen het fundamentalisme als een manier van denken en als een vorm van handelen. Hij meent dat extremistisch denken niets van doen heeft met extremistisch handelen. Wat hij vergeet is dat reeds in het denken (en niet alleen in het handelen) de andere, die een afwijkende mening of gedrag kan hebben, moet geïncorporeerd worden. Ook binnen het denken moet gestreefd worden naar tolerantie. Niet het extreem doordenken is belangrijk, wel de empathie. JoVRik Pinxten - Goddelijke fantasie: over religie, leren en identiteit - 2000, Antwerpen, Houtekiet,287 blz., ISBN 90-5240-564-6