Huisvesting: laten we eerst het regeerakkoord uitvoeren

Bij het aantreden van deze regering (1999) werd in het regeerakkoord de basis gelegd voor het uit te voeren huisvestingsbeleid van de volgende jaren. Eén van de belangrijke beleidsopties betreft het stelselmatig en progressief verhogen van de bedragen in de begroting Huisvesting voor het realiseren van 15.000 bijkomende sociale huurwoningen en dit via projecten die moeten beantwoorden aan de moderne woonbehoeften.Maar datzelfde regeerakkoord spreekt zich ook uit over andere maatregelen die deel uitmaken van dit te voeren huisvestingsbeleid, ondermeer: Heroriëntering van de tegemoetkoming aan particulieren; het toegankelijker maken van de privé-huurmarkt via huursubsidies; het afschaffen van de ondergrens voor de berekening van de sociale huur; oprichting van het solidariteitsfonds tussen huisvestingsmaatschappijen; aandacht voor renovatie van sociale woonprojecten. We zijn nu halfweg en wat stellen we vast? Een derde van de te realiseren 15.000 sociale huurwoningen werd moeizaam gehaald. Een tijdelijke bouw- en renovatiepremie van 7.436,81 euro werd in het leven geroepen (een maatregel die niet eens opgenomen was in het regeerakkoord). De Vlaamse huisvestingsmaatschappij (VHM) kwam in opspraak, het dossier ligt nog altijd onopgelost op tafel. Huisvesting is aan haar vierde minister toe, maar ook andere ministers zijn van oordeel dat ze zich met het huisvestingsbeleid moeten bemoeien en lanceren originele voorstellen. Denken we aan de voorzet van minister Stevaert een poosje geleden waarin hij suggereert om van sociale huurders kopers te maken. De doelstelling met betrekking tot deze eigendomsverwerving zou volgens de minister gerealiseerd kunnen worden door de huurders enkele tientallen euros huurgeld per maand meer te laten betalen. Wat in deze redenering ontbreekt, is dat er op geen enkele wijze stilgestaan wordt bij het profiel van de sociale huurder. In het hoofdstuk Wonen uit het jaarboek Armoede en sociale uitsluiting 2001 stellen de auteurs (De Decker en Pannecoucke) dat uit onderzoek blijkt dat de lagere sociale categorieën sterk oververtegenwoordigd zijn onder de sociale huurders.Stel dat ik met mijn gezin moet leven van een werkloosheidsvergoeding van 966,78 euro per maand (maximum uitkering vanaf 01.01.02). Waar haal ik dan die enkele tientallen euros per maand extra om via de omzetting van mijn huur naar afbetaling uiteindelijk eigenaar te worden? Of is de minister van plan mij de woning te verkopen aan een prijs die met mijn inkomen haalbaar is? Dit denk ik niet, want met deze extra inkomsten moeten de maatschappijen volgens dit voorstel in staat zijn nieuwe sociale woningen te bouwen, meer zelfs, moeten ze eigenlijk winst kunnen maken, om meer woningen dan vandaag te bouwen en om het probleem van de lange wachtlijsten op te lossen. Mogelijk zullen oude afgeleefde sociale huurwoningen op deze koopmarkt komen waardoor de overheid de onderhouds- en renovatiekosten afwentelt op de nieuwe eigenaar.Maar ben ik een sociale huurder met een maandelijks inkomen van 2.685 euro per maand, een huurder uit de hoogste inkomensklasse, dan trekt het mij wel aan om via een verhoging van een aantal tientallen euros per maand af te betalen en zo eigenaar te worden, weliswaar als de gevraagde prijs haalbaar is en mijn woning zich in een redelijke onderhoudsstaat bevindt. De mogelijkheid om een sociale woning aan de huurder te verkopen is niet nieuw. Momenteel kunnen alleen die woningen verkocht worden die reeds 15 jaar als sociale huurwoning ter beschikking zijn gesteld. Ook wordt aan huurders die reeds gedurende twee jaar na mekaar boven het dubbele in het inkomenscoëfficiënt zitten en reeds 15 jaar de woning bewonen de mogelijkheid tot aankoop geboden. Lijkt het niet zinvol na te gaan hoe vaak sociale woningen in het verleden verkocht werden aan huurders en of de verkregen verkoopprijs winstgevend was en of dit de maatschappij in staat stelde tot de realisatie van bijkomende woningen?In Engeland onder het bewind van Thatcher werd eenzelfde beleidsoptie genomen. Daar werden massaal woningen verkocht. Het gevolg was dat de sociale huisvestingsmaatschappijen met de armste huurders en met de slechtste woningen bleven zitten. Dit is toch niet het huisvestingsbeleid dat wij wensen. De discussie en de invulling van welk beleid we dan wel wensen, werd gevoerd en ingevuld bij de opmaak van de regeringsverklaring. Het te voeren beleid was misschien niet volledig en op een te korte termijn, maar de voorstellen, gedragen door alle regeringspartners, blijven belangrijke fundamenten die bij realisatie een groot deel van de huisvestingsproblemen zullen oplossen. Laat ons toch ten minste beginnen met de uitvoering van de voorstellen uit de regeringsverklaring, breng het resultaat van de audits en neem de VHM-structuur aan.Oneliners over huisvesting klinken mooi, maar brengen in deze materie weinig oplossing voor dié gezinnen met grote woonkosten.Ann DE MARTELAERDe auteur is Vlaams parlementslid voor Agalev