Iedereen veroordeeld tot levenslang

Het is nu officieel, want we hebben er zelfs een Vlaams minister voor. We zijn met zijn allen veroordeeld tot levenslang leren. Die minister draagt nog wel de titel van Vlaamse excellentie voor Werkgelegenheid en Toerisme, maar hij prijkte al op de cover van een managementtijdschrift bij de titel minister van Levenslang Leren. Renaat Landuyt was dan ook de opdrachtgever voor de recente studie naar het opleidingsbeleid in Vlaamse bedrijven. Bleek dat lang niet iedereen in het bedrijfsleven zich zo gauw laat veroordelen tot levenslang leren. De minister trekt er lessen uit, maar vindt er ook conclusies die koren op zijn molen zijn. Wat is deze molenaar dan eigenlijk van plan, dat hij iedere actieve Vlaming met een soort levenslange leerplicht wil opzadelen, als een molensteen die altijd rond de nek hangt?Het managementtijdschrift waarvan sprake is Management Vandaag, in zijn editie van september 2000. De studie in kwestie heet Het opleidingsbeleid in Vlaamse bedrijven: determinerende factoren en knelpunten en zocht naar verklaringen voor de verschillen in de opleidingsinspanningen in bedrijven. Het eerste onderdeel van de studie, die eind oktober 2000 klaar kwam, behelsde een enquête onder leiding van Prof. Dr. Luc Sels van de KU Leuven, in samenwerking met het Hoger Instituut voor de Arbeid. Het tweede, kwalitatieve onderzoek omvatte diepte-interviews onder leiding van Prof. Dr. Dirk Buyens van de Vlerick Leuven Gent Management School. Vlaams minister van Werkgelegenheid, Renaat Landuyt, trok eerder in deze krant al drie hoofdconclusies uit de studie, die hij had besteld: De vorming is te veel gericht op nieuwkomers en niet genoeg op levenslang leren. Onze bedrijven zijn eigenlijk te klein om op een ideale manier om te springen met vorming. En ten slotte is voor de Vlaamse werknemer het recht op opleiding nog lang geen realiteit. De minister zette inmiddels drie discussiefora op om er de onderzoeksresultaten en hun mogelijke gevolgtrekkingen te bespreken. Een eerste forum bracht sociale partners en beleidsmensen uit diverse Vlaamse kabinetten samen, een tweede groep de sectorale fondsen en een derde de opleidingsaanbieders. Op financieel gebied heeft hij al beslist de hefboomkredieten, die tot dusver beperkt bleven tot technologische innovaties, open te trekken naar alle nieuwe vormen van opleiding. Er komt een extra Vlaamse hefboom die hij koppelt aan het Europees Sociaal Fonds, dat bepaalde middelen ter beschikking stelt. Dat brengt het jaarbudget van Europa en Vlaanderen op 760 miljoen BEF. Voor de toekenning van die budgetten wil de minister vrij soepele criteria hanteren.Renaat Landuyt kondigde ook meteen bij het verschijnen van de studie aan dat hij qua sensibilisering de bedrijven vooral in contact wil brengen met de beste opleidingspraktijken. Eén van de fora die hij in de zomer van 2000 in het kader van zijn Trivisi-aanpak lanceerde, handelde over levenslang leren. Daarin gingen drie projectgroepen aan de slag om zo concreet mogelijk bedrijven te helpen. De themas van die groepen zijn het netleren en de netwerking, de technieken om anders te leren en het structureren van het leren. Daarnaast gaat hij nu ook na hoe hij de sociale partners een instrument kan aanreiken om het recht op opleiding waar te maken. Hij pleit ervoor de opleidingsgelden die momenteel op federaal niveau via CAOs aan de sectorfondsen worden toegekend, voortaan niet langer de bedrijven de vrijheid te geven om aan opleidingen mee te doen of niet. Hij wil de sommen in Vlaanderen gebruiken, waar de opleidingsbevoegdheid ligt, en daar bindende afspraken met de sectoren maken, zodat de bedrijven verplicht worden op een bepaalde manier hun werknemers op te leiden.De intenties van de minister klinken behoorlijk assertief, om ze niet agressief te noemen. Hij wil geen gras laten groeien over het uitbouwen van een beleid dat duidelijk nieuwe accenten krijgt en een nieuw kader wil scheppen voor wie zich in zijn werk verder wil ontplooien. De recente studie versterkt hem in dat streven. Het valt mij alvast op dat het besef dat permanente opleiding essentieel is, blijkbaar niet sterk leeft in het Vlaamse bedrijfsleven. Er bood zich wel een grote aanbodsmarkt aan, maar die zal nog missionarissenwerk moeten verrichten. Met deze studie reiken we alvast een stuk nieuw testament aan. Het opleidingsgebeuren is voor hem nog verre van ideaal. Bedrijven zouden opleiding als een aantrekkingspool voor medewerkers op de krappe arbeidsmarkt kunnen gebruiken. Een aantal van hen probeert dat ook, maar uit de studie blijkt dat hun aantal en hun inspanningen nog ruim onvoldoende zijn, vindt de minister. Dat de aanbieders nu zo talrijk staan te drummen op de opleidingsmarkt om hun diensten te verlenen, brengt hem er ook toe de overheid een nieuwe taak te geven, meer bepaald die van verkeersleider. Zonder structurering vanwege de overheid vallen er faillissementen, meent Renaat Landuyt. Terwijl de aanbieders warm lopen, reageren de afnemers nog vrij lauw. Ik had nog voor de studie in mijn beleidsnota opgeroepen een verkeersleider op deze markt toe te laten. Momenteel spelen de afnemers niet of slecht in op de mogelijkheden van de markt. Dat heeft de studie nog eens bevestigd.Meteen wordt een belangrijk facet duidelijk van de vernieuwing die de minister van werkgelegenheid voor zijn eigen rol in petto heeft. Het werkgelegenheidsbeleid is op een cruciaal punt aanbeland, stelt nog Renaat Landuyt. We moeten niet meer platjes werklozen opvangen en we begeleiden mensen niet meer naar jobs die ze 20 jaar of langer zullen beoefenen. Waar het wel om gaat, is duurzame werkgelegenheid. Het aanbod aan werkkracht dat een individu of de samenleving heeft, moet kloppen met de vraag. Het moet nu eenmaal de economische machine voeden, zij het wel met een sociale dimensie. Het valt op hoe een rode minister tegenwoordig blauw kan klinken, zij het met een roos tintje. Hij stoomt verder: Willen we de groei behouden, dan wordt opleiden essentieel. Daarvoor ben ik minister. Dat is de kern van mijn bevoegdheden.Dit is een heel ander geluid dan wat de overheid op dit punt zelfs maar een paar jaar terug liet horen. Personeelsbeleid werd vroeger nooit als een overheidstaak gezien. De afzonderlijke bedrijven hielden er zich mee bezig. Voortaan is het wel een bekommernis voor de overheid. Steekt daar de rode bemoeizucht toch de kop weer op? Wij willen niet dirigeren, stelt de minister gerust. Maar de overheid kan een bijdrage leveren door ervaringen bijeen te brengen. Je komt er niet onderuit: om de economische en sociale doelstellingen waar te maken moet de regionale overheid zich met personeelsbeleid inlaten en dus in de eerste plaats met de opleiding. Het gaat daarbij zeker niet alleen om werklozen. De eerste stap is natuurlijk mensen naar een job brengen. Maar ook wie al een job heeft, verdient onze belangstelling. Het is duidelijk dat de minister veel verwacht van de projectgroep die onder de loep neemt hoe men het best het leren structureert. Dit moet helpen om het kwaliteitsprobleem van opleiding aan te pakken. Grote organisaties kunnen op dit punt de kleintjes hopelijk veel bijleren. Ik hoop dan ook dat de projectgroepen met concepten voor de dag komen waarmee bedrijven echt aan de slag kunnen. Ik wil ook werk maken van een betere aansluiting tussen onderwijs en werk. De kloof tussen beide is niet meer van deze tijd. De koppeling moet dus veel beter worden, maar de overheid mag niet de fout maken al te zeer het volwassenonderwijs te benadrukken.De minister bekijkt de komende hervorming van de VDAB trouwens ook in dit licht. Opleiding moet centraal staan, omdat het voortaan een cruciaal instrument is om aan de werkgelegenheid te timmeren, met kennis van de arbeidsmarkt. Aan de basis moet opleiding een echte nood lenigen. Vandaar dat ik mezelf graag beschouw als minister van Levenslang Leren. Daarmee bedoel ik dan de beroepsopleiding. De recente studie geeft alvast de aanzet om in die richting verder te werken, al zal er nog verfijning nodig zijn. WDB