Indexering van de pensioenleeftijd

Het onderwijs gaat weer eens staken. Het is een treffend voorbeeld van hoe langer werken moeilijk past in de huidige (vakbond)mentaliteit. Nochtans is de optrekking van de uitstapleeftijd in het onderwijs van 55 naar 58 jaar maar het topje van de ijsberg in verhouding met de globale pensioenproblematiek. Tijd om maatregelen te nemen in de verouderde wetgeving want anders zal het potje echt leeg zijn. Terwijl men de automatische loonindexatie wenst af te schaffen zou men beter de pensioenleeftijd indexeren!België scoort bijzonder slecht als het gaat om de participatiegraad van ouderen op de arbeidsmarkt. Zo bedraagt de activiteitsgraad van 50-64 jarigen in België slechts 53,1 procent (52,7% in Vlaanderen), terwijl het EU-15-gemiddelde 64,6 procent bedraagt. Ook onze buurlanden (Frankrijk, Nederland en Duitsland) doen het stukken beter, met een gemiddelde van 62,6 procent. Binnen de visie van een actieve welvaartsstaat is het optrekken van de activiteitsgraad een van de prioriteiten. Dat bepaalde vakbondskringen dit bedreigend vinden, is niet verwonderlijk: zij verdedigen al jaren hun eigen belangen en niet die van hun achterban.De volgende maanden zullen in grote mate bepalen of de Vlaamse arbeidsmarkt zich herstelt van de harde klappen van de jongste maanden. Maar ook de regering zal haar beloften moeten nakomen en de loonkosten terugschroeven, willen de bedrijven zorgen voor een daling van de werkloosheidscijfers. Het is echter op lange termijn dat het scheef loopt. Vele wetenschappers wijzen op de demografische evolutie en de vergrijzing van de beroepsbevolking die ons allen zullen verplichten langer te werken. Een terugblik naar de geest van de wetten uit de jaren 50 reikt ons een mogelijke denkpiste aan.Bij de invoering van de wet van 29 december 1953 betreffende het arbeidspensioen, werd bepaald dat bij de berekening van het pensioen rekening zou worden gehouden met de stijging van de levensduurte, met de beroepsloopbaan en met de vroegere bezoldigingen van de pensioengerechtigde. Als een normale duur van een loopbaan werd 45 jaar voor de mannen en 40 jaar voor de vrouwen vooropgesteld. De wet van 28 juni 1954 voorzag in een koppeling van het pensioen (van de uitkeringen) aan de stijging van de levensduurte. Daarna kwamen nog heel wat wetten over de uitkeringen en statuten maar niet over de pensioenleeftijd. Met het KB van 23 december 1996 wordt uiteindelijk de pensioenleeftijd van vrouwen gelijkgesteld met die van mannen, namelijk op 65 jaar.De uitkeringen werden dus aangepast aan de levensverwachting, de pensioenleeftijd daarentegen niet. Het loopt dus fout.We leven alsmaar langer en de werkelijke pensioenleeftijd doet niks anders dan dalen. Wordt het niet hoog tijd de pensioenleeftijd net als de uitkeringen mee aan te passen aan de stijgende levensverwachting? Een soort indexatie dus van de pensioenleeftijd, niet aan de inflatie maar aan de levensduurte.Laat ons het even mathematisch beschouwen. In 1960 bedroeg de levensverwachting van mannen 67,7 jaar. Een beroepsloopbaan van 45 jaar impliceerde dat men twee derde van zijn leven actief is op de arbeidsmarkt. In 1999 bedroeg de levensverwachting van mannen al 74,9 jaar, twee derde van het leven werken impliceert een loopbaan van bijna 50 jaar, of een pensioenleeftijd van 70 jaar, als men uitgaat van een aanvang van de beroepsloopbaan op gemiddeld 20 jaar. Ieder individu moet echter wel de vrijheid hebben zijn beroepsloopbaan te starten en te beëindigen wanneer hij of zij dat wil. Alleen voor het opbouwen van een volledig pensioen kan een bepaalde duur van loopbaan vooropgesteld worden die aangepast wordt aan de levensverwachting.Een aanzienlijk deel van de toegenomen levensverwachting is te danken aan de wetenschap die mensen langer laat leven, evenwel niet altijd in die omstandigheden dat men er nog echt kan van genieten. De pensioenleeftijd verhogen tot 70 jaar lijkt dan ook maatschappelijk niet realiseerbaar. De analyse van de cijfers (namelijk de dalende werkelijke pensioenleeftijd) leert ons echter dat het nu volledig de verkeerde richting uitgaat. Pleiten voor het respecteren van de pensioenleeftijd van 65 jaar (of beter de loopbaanduur van 45 jaar, om ieders vrijheid te respecteren) in alle sectoren is dus aan de orde. Uitzonderingen zoals die werden toegestaan, moeten dan ook weggewerkt worden. Bovendien fixeert men zich enkel op het uitgestelde loopbaaneinde, maar men vergeet al de andere positieve effecten die hieraan verbonden kunnen worden. Flexibiliteit is een sleutelbegrip. De kwaliteit van het leven en dus ook van arbeid wordt alsmaar meer centraal gesteld. Maatregelen zoals een verkorte werkweek, betaald educatief verlof, sabbatjaren en loopbaanonderbreking kunnen in de toekomst veel meer regel dan uitzondering worden. Dat we daarvoor op termijn langer zullen moeten werken is in dit opzicht maar een kleine prijs. De kwaliteit van het leven zal stijgen en ook langer duren...Stephen DELVOYEDe auteur is uittredend ondervoorzitterJong VLD kandidaat-voorzitter