kolom

Een klankarchitectWoensdag 21 februariArte, 21u45:Iannis XenakisBegin deze maand overleed de Grieks-Franse componist en architect Iannis Xenakis in Parijs op 78-jarige leeftijd. Xenakis was een buitenbeentje in de hedendaagse muziek en verenigde in zijn composities wetenschap en kunst. Hij baseerde zijn muzikale en architecturale ontwerpen op mathematische en fysische formules. Toch wist zijn muziek, vooral in Frankrijk, een groot publiek te boeien. Iannis Xenakis werd op 29 mei 1922 in het Roemeense Baila geboren als zoon van een familie van Griekse reders. Hij leek voorbestemd om ingenieur te worden, wou later astrofysicus, mathematicus of filosoof worden. Maar de inval van Mussolini in Griekenland in 1941 doorkruiste die plannen. Xenakis ging in het communistische verzet. Begin 1945 werd hij door een granaatscherf gewond aan het gezicht. Hij verloor een oog en verkeerde drie maanden in levensgevaar.Als lid van het communistisch verzet werd Xenakis bij verstek ter dood veroordeeld en hij vluchtte in 1947 naar Frankrijk. In Parijs volgde hij compositielessen bij Arthur Honegger en Darius Milhaud. Maar het was vooral Olivier Messiaen die hem op de goede muzikale weg zette: Je bent Grieks, doet aan wiskunde en architectuur, maak daar muziek mee, zei hij tot Xenakis. Als architect was Xenakis leerling van Le Corbusier. Hun beroemdste samenwerking was het ontwerp van het Philips-paviljoen voor de Expo 58 in Brussel. Het schema van het opvallende veelhoekige gebouw was gebaseerd op Xenakis compositie Metastatis. Xenakis maakte echter niet zelf de muziek voor de multimediapresentatie in het paviljoen, wel de veteraan Edgar Varèse. Als componist creëerde Xenakis opzien met zijn compositie Metastasis tijdens het Festival van Donaueschingen in 1955. Hij gebruikte al vroeg computers om zijn composities te berekenen en werkte met toevalsfactoren. Maar hij was ook gefascineerd door Plato en het oude Griekenland en zijn muziek is vaak lyrischer dan de wiskundige basis ervan zou doen vermoeden. Sinds 1965 was Xenakis Frans staatsburger. Hij bleef politiek geëngageerd en bezocht slechts laat in zijn leven opnieuw zijn geboorteland. Xenakis schreef zijn laatste werk, Oméga, in 1997, toen hij reeds zwaar ziek was. De componist koos met opzet de laatste letter van het Griekse alfabet om een punt te zetten achter zijn oeuvre. Een minister van Cultuur met een verledenWoensdag 21 februariArte, 23u20:Assasin, junkie et ministerEen zo mogelijk nog merkwaardiger levensloop dan die van communist-architect-componist Iannis Xenakis wordt geschetst in het portret dat Arte daarna uitzendt. Het onderwerp is de revolutionair, expressionistische dichter, junkie en latere minister van Cultuur van de DDR Johannes R. Becher. In het leven van Becher (1891-1958) spelen de extremen een grote rol: hoge politiek en dagelijkse pathetiek, poëzie en machtsdrang, honger om te leven en verslaafdheid wisselden elkaar af. Becher maakte het einde van het Duitse keizerrijk, de Weimarrepubliek, ballingschap in de Sovjetunie tijdens de nazi-tijd en de eerste jaren van de DDR mee. En hij speelde er soms belangrijke rollen in. Becher werd in 1891 in München geboren. Hij studeerde geneeskunde, literatuur en filosofie. Als jonge bourgeois raakte hij betrokken in de expressionistische revolte tegen de gevestigde orde. Hij schreef romantische, complexe poëzie waarin zowel zijn persoonlijke ontreddering als de visie op een nieuwe sociale orde gestalte kregen. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij lid van de communistische partij. In 1933 werd Becher verkozen in de Reichstag maar de staatsgreep van de nazis dwong hem om in Moskou in ballingschap te gaan. Daar werd hij redacteur van een Duitstalige krant. Hij raakte gedesillusioneerd door het stalinisme, maar niet door het communisme zelf. In 1945 keerde Becher terug naar Duitsland. In 1954 werd hij de eerste minister van Cultuur en Opvoeding van de jonge DDR. Voor sommige Duitsers is hij de dichter van de vrede, voor anderen een geestelijke verrader. Het openen van de DDR-archieven maakt het mogelijk om een genuanceerder beeld op te hangen van zijn merkwaardige carrière. Bechers dagboeken uit de periode 1945-55 tonen de vele persoonlijke en ideologische conflicten die hem kwelden. Het genie van de naïviteitZaterdag 24 februariArte, 20u15:Le douanier Rousseau ou la légende du peintre naïfSinds begin februari wijdt de Kunsthalle van het Duitse Tübingen een belangrijke retrospectieve aan de grootmeester van de naïeve kunst, Douanier Rousseau. In het kader daarvan zendt Arte een korte documentaire uit over deze bizarre zondagsschilder. Henri Rousseau (1844-1910) werd geboren in Laval, maar leefde en werkte bijna veertig jaar in Parijs. Hij schilderde niet alleen, maar schreef ook toneelstukken en componeerde muziek. Met de humorist Alphonse Allais, de dichter Isidore Ducasse, alias de Comte de Lautréamont, de auteur Alfred Jarry en de componist Erik Satie is hij een van de voorvaderen van de moderne kunst. In tegenstelling tot hun doodernstige en vaak erg dogmatische navolgers hadden deze voorvaders van de moderne kunst een heel andere instelling: hun kunst was geestig, provocerend, of - zoals bij Rousseau - van een ontroerende naïviteit. Rousseau was de zoon van een arme smid, een middelmatige student, en verliet de school zonder zijn studie te hebben afgemaakt. Tijdens zijn militaire dienst maakte hij kennis met overlevenden van de mislukte Franse expeditie die Maximiliaan van Habsburg tot keizer van Mexico had gemaakt. De beschrijvingen die deze soldaten gaven van de Mexicaanse fauna en flora waren de eerste inspiratie voor Rousseaus exotische landschappen. Rousseau zelf heeft Frankrijk nooit verlaten.In 1868 vestigde Rousseau zich in Parijs, huwde er Clémence Boitard en begon een carrière in de administratie. In 1871 werd hij bediende in een Parijs tolhuis, een betrekking die hem zijn bijnaam opleverde. Ondanks zijn beroeps- en familiebeslommeringen vond Rousseau de tijd om te tekenen en schilderen. Zijn grote ambitie was te schitteren in de geijkte academische stijl die toen veel prestige had. In 1884 kreeg Rousseau toelating de grote meesters te kopiëren in het Louvre. Twee jaar later stelde hij een eerste keer tentoon, niet in het toonaangevende jaarlijkse Salon, het heilige der heilige van de officiële kunst, wel in het Salon des Indépendants. Het schilderij waarmee Rousseau debuteerde, Un soir de Carnaval, was een meesterwerk van de naïeve kunst: niets wordt erin gesuggereerd, elk blad van een boom is uitgetekend, de wolken lijken uit vaste materie te bestaan, alles is tot in de puntjes gedetailleerd. Maar tegelijk toont het werk de poëzie, het mysterie en de magie eigen aan Rousseau en die hem tot een voorloper van het surrealisme maken. De volgende zeven jaar stelde Rousseau zon twintig werken tentoon op het Salon des Indépendants. Ze werden nauwelijks opgemerkt, alleen maar geridiculiseerd door de aanhangers van de academische schilderkunst. Rousseaus eerste vrouw stierf in 1888. Hij gooide zich met des te meer energie op zijn schilderkunst. Als eenvoudig man was hij zeer onder de indruk van de Exposition Universelle van 1889. De dioramas met landschappen uit Senegal, Vietnam en Tahiti leverden nog meer inspiratie voor zijn exotische doeken. Rousseau schreef zelfs een toneelstuk Een bezoek aan de expositie, dat echter - zoals zijn andere theatrale exploten - nooit werd opgevoerd. Zoals de impressionisten was hij aangetrokken door landschappen en wou hij de natuur imiteren. Maar dan wel op zijn eigen vreemde manier. Hij schilderde het tolhuis waar hij werkte, en maakte - geheel volgens de academische traditie - een zelfportret waarin hij, palet in de hand, voor een Parijs landschap staat dat hij met grote nauwkeurigheid vastlegde. Niettemin ziet hij eruit als een hansworst die voor een poppenhuis staat.In 1893 ging Rousseau met pensioen. Hij kon zich nu helemaal aan zijn schilderkunst wijden. Niet lang daarna ontmoette hij de jonge Alfred Jarry, die ook uit Laval afkomstig was, en die zijn tijdgenoten in 1896 schokte met zijn toneelstuk Ubu Roi. Jarry bracht Rousseau in contact met de avant-gardegroep rond het tijdschrift Le Mercure de France. Het was in dat tijdschrift dat het allereerste positieve artikel verscheen over Rousseau en meer bepaald over zijn allegorie Oorlog die hij tentoonstelde op het Salon des Indépendants van 1894. Langzaam begon het tot de critici door te dringen dat Rousseau meer was dan een zondagsschilder. Het was ook in die periode dat hij zijn meest bekende en nog steeds zeer populaire Slapende Zigeunerin schilderde. Het doek toont een zigeunerin in een door de maan belichte woestijn, terwijl een grote leeuw zich over haar neerbuigt. Het landschap is leeg op de kruik en mandoline van de zigeunerin na. Het kleed van de zigeunerin en de manen van de leeuw zijn door Rousseau op een decoratieve, bijna abstracte manier geschilderd. Allerlei details: het oog van de leeuw, zijn omhoogstaande staart, de glimlach op het gezicht van de slapende zigeunerin, de lege woestijn dragen bij tot het mysterie van het doek. Rousseau vroeg de burgemeester van Laval om het aan te kopen: hij noemde het een ode aan zijn geboortestad. Maar de burgemeester wees het aanbod beleefd af. Rousseau droomde er nog steeds van te slagen als academische schilder. In de plaats ervan kreeg hij steeds meer aandacht van jonge schilders als Robert Delaunay, Pablo Picasso en vooral hun vriend en beschermheer, de dichter Guillaume Apollinaire. In 1905 stelde Rousseau zijn Hongerige Leeuw tentoon op het Salon dAutomne in dezelfde zaal als de meest beruchte schilders van die tijd: de fauves Matisse, Derain en Vlaminck. De confrontatie van Rousseaus werk met hun felle kleuren en onconventioneel realisme opende de ogen van de critici. Ambroise Vollard, de belangrijkste handelaar in moderne kunst, kocht werk van hem. Rousseau bleef ondanks het succes in een Parijse volkswijk wonen waar hij tekenlessen gaf. Bij de avant-garde groeide hij uit tot een populaire figuur. Picasso organiseerde in 1908 een befaamd, half ernstig, half ironisch, banket te zijner ere. In zijn laatste jaren schilderde Rousseau vooral exotische landschappen. Met veel zin voor detail schilderde hij tropische planten die hij in Parijse serres en botanische tuinen ging observeren. In zijn handen groeiden ze uit tot ornamentele versieringen van een verloren aards paradijs. Zo onder meer in het prachtige Yadivighas Droom uit 1910 waar een naakte vrouw op een sofa ligt te midden van een jungle waarin twee leeuwen, een olifant en een zwarte fluitspeler te zien zijn. Rousseaus werk had grote invloed op de moderne kunst en beïnvloedde kunstenaars als Fernand Léger, Max Beckmann, de surrealisten en Max Ernst. Elektronische gamelanDinsdag 27 februariKlara, 19u30:Podium - ERU-concertDe Europese Radio Unie (ERU) begint een nieuwe reeks concerten met als thema Oriëntalisme. U kunt in het kader daarvan in het Klara-programma Podium luisteren naar een merkwaardig concert vanuit het Muziekcentrum Vredeburg in Utrecht. Het gamelanensemble Gending onder leiding van Jurrien Sligter speelt er hedendaagse muziek. Een gamelanensemble is een Javaans of Balinees orkest dat grotendeels bestaat uit gongs en gestemde slaginstrumenten zoals bonangs, xylofonen (of gambang kayu) en metallofonen (met gestemde metalen plaatjes). De melodieën worden gespeeld op een bamboefluit (de suling), een strijkinstrument (rebab) of worden gezongen. Dat laatste gebeurt vooral als de gamelan gebruikt wordt om theateropvoeringen, of wayangs, te begeleiden. De trommel of kendang domineert en dirigeert het ensemble. Opmerkelijk is dat alle instrumenten van een gamelan op elkaar afgestemd worden, maar dat de stemming van elk gamelanensemble anders is. Met deze ensembles met hun betoverende polyfone klank wordt doorgaans traditionele Javaanse en Balinese muziek uitgevoerd. Maar op het concert in Utrecht kunt u luisteren naar nieuw werk: Tim/Ba uit 2000 voor percussie, piano en gamelan van Willem Jeths, werk voor gamelan en electronics van Phileman Mukarno geschreven in opdracht van de NPS Radio, Sonata da Camera van Klaus Kuiper uit 1997 voor gamelanensemble, Dhawa Cendak van Roderik de Man uit 1995 voor Gamelanensemble en tape. Het concert wordt besloten met de Soekarno Blues uit 1999 voor gamelanensemble, piano en vocals van de vooral als jazzcomponist en -bandleider bekend staande iconoclast Willem Breuker. Naast het Gamelansenemble Gending werken pianist Eddy Janning en sopraan Monica Akihary mee aan het concert.Samenstelling: Marc HOLTHOF