KoudwatervreesJim LANNOO

Er komt in Groot-Brittannie geen referendum over de invoering van de euro. Daardoor voegt Groot-Brittannie zich in de komende jaren niet bij de twaalf landen van de eurozone. De beslissing geen referendum te houden, werd genomen op basis van enkele economische tests. Die moesten bepalen of de toetreding tot de eurozone een goede zaak is voor de Britse economie. Voorlopig wijzen die tests uit dat de euro Groot-Brittannie meer na- dan voordelen kan opleveren. Vanuit economisch oogpunt kan iets gezegd worden voor de beslissing van de Britse regering. De groei in Groot-Brittannie ligt een stuk hoger dan op het Europese vasteland. Duitsland, de belangrijkste economie van de eurozone, staat op het randje van een recessie. In dergelijke omstandigheden is het voor de Britse Labourregering moeilijk haar publieke opinie te overtuigen van de deugden van de euro. Zeker met de adem van een extreem eurosceptische, conservatieve pers in haar nek. Maar de Britse houding ten aanzien van de euro is niet louter economisch geinspireerd. De euro is ook en vooral een politiek project, een instrument bij uitstek van de Europese eenmaking. En daar wringt het schoentje voor de Britten. De eilandbewoners hebben een chronische koudwatervrees voor alles wat naar Europese eenmaking ruikt. Die vrees voor een verdere Europese eenmaking kwam de voorbije maanden ook heel nadrukkelijk naar voren in de Europese Conventie. Die vergadering moet een blauwdruk maken van de toekomstige EU en een EU-grondwet opstellen. De Britse diplomatie woog zwaar op de gesprekken in de Conventie om de macht en de impact van de EU niet uit te breiden. Zelfs het woord 'federaal' was voor de Britse regering onaanvaardbaar, omdat dit het doembeeld van de 'Europese superstaat' oproept. De Britten zien de EU vooral als een economisch samenwerkingsverband en willen de politieke impact van de Unie beperkt houden. Dat bleek ook tijdens de Irakcrisis, waarbij Londen resoluut koos voor de Amerikaanse lijn, zonder om te kijken naar de EU-partners. Met de uitbreiding van de EU met acht Oost-Europese landen, Malta en Cyprus, dreigt die stroming in de EU nog versterkt te worden. Want veel van de nieuwelingen zijn vooral geinteresseerd in de EU-fondsen en in het aantrekken van buitenlandse investeringen. Als het over politiek gaat, kijken ze eerst naar Washington. Op die manier wordt het erg moeilijk voor de EU-landen die wel een nauwere Europese politieke samenwerking willen, zoals Belgie. Als de Unie moet wachten op landen zoals Groot-Brittannie om de integratie te verdiepen, dreigt het Europese project tot stilstand te komen. Landen die wel verder willen bouwen aan een meer eengemaakt Europees beleid, doen er dan ook goed aan niet te wachten. Ze kunnen met een beperkte groep nauwer samenwerken op bepaalde terreinen, zoals met de euro gebeurde. De koele Europa-minnaars kunnen zich dan later wel aansluiten.