Kredietinstellingen zochtennaar hogere rendabiliteit

DE OMSTANDIGHEDEN voor het bankieren bleven over 1992 moeilijk. De langverwachte rentedaling zette zich pas eind 1992 in, te laat om de resultaten gevoelig op te krikken. Daarnaast bleef de rentecurve invers, de korte-termijnrente bleef dus hoger liggen dan de lange-termijnrente. Voor de hele financiële sektor bleef de afvloei van het klassieke spaarboekje (het gereglementeerd boekje met vrijstelling van roerende voorheffing) aanhouden. De afvloeiing van de depositoboekjes over de laatste drie jaar (-18 procent) situeerde zich vooral bij de banken (-22 procent). Daarna volgden de openbare kredietinstellingen (-18 procent), terwijl de spaarbanken relatief goed stand hielden met een afvloeiing van 12 procent. Het ritme van de vlucht uit het klassiek spaarboekje daalde overigens sterk: in 1990 bedroeg het nog 11 procent, in 1991 en 1992 was dat nog respektievelijk 4,4 en 3,7 procent. Globaal verschoof er op drie jaar tijd niet minder dan 424 miljard frank. In 1993 zou dat fenomeen enige tijd uitdoven omdat de rente snel naar het peil van het klassiek spaarboekje zakte. Dat betekent ook dat de sektor een steeds duurdere "funding' te verwerken kreeg. Over de drie jaar steeg de inlage bij termijnrekeningen en kasbons elk met 1.000 miljard frank en op de hoogrentende spaarrekeningen stond per einde 1992 meer dan 240 miljard frank.