Advertentie
Advertentie

Leve het overlappen!

Voor een museum dat dicht is, zijn wij verdomd vaak open. Met deze boude uitspraak lokte het museum Boijmans van Beuningen eerder deze maand de pers naar een presentatie van zijn activiteiten voor de nabije toekomst. Boijmans was de afgelopen jaren een veelgeplaagde instelling, met even opvallende ambities als markante struikelblokken. Vooral de geplande verbouwing blijft maar vertraging oplopen, en ook het personeel was het de afgelopen tijd niet altijd eens met het gevoerde beleid, belichaamd in de figuur van directeur Chris Dercon. Maar toch blijft er een onmiskenbare dynamiek achter deze bouwwerf te schuilen. Er werd besloten dat de fikse vertragingen de pret niet langer mogen bederven, zeker niet nu Rotterdam culturele hoofdstad is geworden. Dus gaat die geplande Breughel-tentoonstelling dit voorjaar gewoon door, net als de Bosch-tentoonstelling in het najaar. Maar allereerst is naar aanleiding van het Internationale Filmfestival van Rotterdam een korte maar bijzonder complexe tentoonstelling gepland met niet minder dan vijftien film- of video-installaties. Van de nood werd een deugd gemaakt, en een aaneenschakeling van ontruimde zalen vormt nu het parcours voor een filmische wandeling langs zeer diverse beeldtalen. Maar enkel voor wie er snel bij is: de expositie duurt nauwelijks tien dagen, gelijklopend met het filmfestival zelf. De titel Exploding Cinema/Cinema without Walls is niet bijzonder origineel, want onder diezelfde noemer is het festival al een aantal jaren de grenzen van de filmkunst aan het aftasten inzake presentatievormen. De samenstellers van deze expositie, Chris Dercon en filmfestivaldirecteur Simon Field, hebben de afgelopen jaren al filmische werken samengebracht waarvoor het museum een betere context bood dan een reguliere filmzaal. De geselecteerde werken zijn wel allemaal heel recent en bieden een goed overzicht van wat er internationaal momenteel zoal circuleert, gaande van de Zuid-Afrikaan William Kentridge tot de Brit Steve McQueen, van de Israëliet Uri Tzaig tot de Fransman Pierre Huyghe, van de Duitser Harun Farocki tot de Ier James Coleman. Uit België werden Ana Torfs en Wim Catrysse geselecteerd. Dat er een duidelijke tendens bestaat om de taal van de cinema te absorberen in het vocabularium van de beeldende kunst, dat valt op elke grote kunstmanifestatie of - beurs makkelijk vast te stellen. Dat dit geen radicale nieuwigheid is, wordt zelden onderstreept. Dergelijke kruisbestuivingen of multi-media-experimenten zijn zo oud als de filmgeschiedenis zelf. Maar voor veel kunstenaars blijkt de aarzelende ontdekking van een nieuwe taal de voornaamste fascinatie. De grens tussen een tableau en een tableau vivant is bijzonder fijn in de diaseries van Ana Torfs en James Coleman. Hun respectieve installaties Du Mentir-Faux en Photograph werden dan ook niet toevallig allebei aan het einde van een traject vol levendige beweging gesitueerd. Deze werken bieden de kans te mediteren over het medium waarin ze zijn gemaakt. Bovenop hun autonome betekenis komt hier onvermijdelijk het cumulatieve effect van zoveel diverse beeld- en geluidbronnen achter elkaar. Dat er onderlinge overstemming of verwarring kan optreden, vindt directeur Chris Dercon niet erg. Integendeel, er is net een pocket uit van zijn hand onder de titel Ik zou een museum willen maken waar de dingen elkaar overlappen. Het is verschenen bij het Nederlands Architectuurinstituut in de reeks Fascinaties, en belooft een boek te zijn over de revolutionaire gedaanteveranderingen van de beeldende kunst, de macht en onmacht van het museum, de terreur van de kijkcijfers, maar ook over het respect voor de toeschouwer. Geen bescheiden opzet voor een pocketboekje van nauwelijks 160 helder gedrukte pagina's. Het betreft een bloemlezing uit gesprekken die Dercon de afgelopen tien tot vijftien jaar voerde met klinkende namen zoals Daniel Buren, Douglas Crimp, Dan Graham, Rem Koolhaus en Bruce Nauman. De gesprekken zijn nauwelijks actueel te noemen, en toch bewaarden ze hun relevantie, want de positionering van een museum inzake publieksbeleid wordt in vele landen een steeds acuter vraagstelling. Het wordt zelfs vaak meteen een probleem genoemd. Kunst mag, kunst moet kunnen, maar het gemeenschapsgeld moet directe return opleveren. De dictatuur van de kijkcijfers. Maar niet alleen de subsidielui fixeren zich op kwantiteit, ook de pers en het publiek stellen steeds nadrukkelijker hun eisen inzake drempelverlaging. Het vergt heel wat moed om tegen die stroom in te varen. En behendigheid ook, want de minste faux pas wordt doorgaans afgestraft (cf. de verhinderde verkoop van een werk van Rothko door het museum). Tenzij je het mediaspel even enthousiast meespeelt als de hysterische Jan Hoet natuurlijk.Een serieuze situering van het eigentijdse museum is een bijzonder complex verhaal, met vele randfenomenen en solospelers. Anders dan zijn warrige visuele essay Still/A Novel, een documentaire gedraaid in 1995 voor de VPRO, is dit boekje een heldere weergave van een reeks gesprekken. Er zit een zekere opbouw in, met Thierry de Duve die eerst de geschiedenis van het fenomeen museum mag schetsen, als een historische constellatie van factoren die onvermijdelijk moet veranderen. De Duve is hierin nogal berustend: We leven nu eenmaal in een maatschappij en in een tijd waarin de musea toegankelijk zijn en nog toegankelijker moeten worden voor alle lagen van de bevolking. Het museum maakt ontegenzeggelijk deel uit van het publieke domein. Het museum is tevens een onmisbaar instrument voor ons onderwijs. Gelukkig staat in het volgende interview, met de Amerikaanse socioloog Richard Sennett, dan weer te lezen: Hoe meer een museum een plaats voor educatie wordt, hoe passiever het museumpubliek zich zal opstellen. Ik zie liever musea die op een confronterende manier met het publiek omgaan. Wat we educatie noemen, is volgens Sennett vooral het onderdrukken van de eigen indruk van de kijker. In dit boekje wordt de lezer tenminste met tegenstrijdige meningen geconfronteerd. Pas naar het einde toe komt de opinie van Dercon zelf nadrukkelijker op het voorplan. Vanaf het gesprek met de overleden film- en mediacriticus Serge Daney ligt de nadruk steeds meer op de cinema. (De cinema zal net zon zonderling worden als de olieverfschilderkunst.) De Canadees Jeff Wall merkt heel lucide op dat we de cinema erg dankbaar mogen zijn. Zoals pas met de komst van de geluidsfilm er ook echt sprake kon zijn van stilte in de cinema, zo stelt hij dat er voor de komst van de film geen stilstaande beelden waren. Het waren ervaringen die stilgezet waren. Verder verklaart Jeff Wall de populariteit van zovele cinematografische referenties in de beeldende kunst met de simpele vaststelling dat de filmkunst een kosmopolitisch model is dat voor iedereen toegankelijk is. Voor het grote publiek (en de doorsnee kritiek) gaat die evidentie evenwel nog lang niet altijd op. Filmische noties van montage, geheugen en beweging worden nog te vaak als intellectualistisch en vergezocht afgeschreven. Voor de gevorderden is deze publicatie een samenvatting van veel inmiddels bekende ideeën, een recyclagewerkje. Maar voor de kritische leek biedt het een dankbare sleutel aan om het regelmatige gehakketak omtrent het Boijmans in een breder kader te plaatsen, om het vaak banale tumult van een serieuze context te voorzien. Het bewijst dat er achter de bokkensprongen van de directeur een jarenlange, volgehouden vraagstelling schuilt over de positie van de kunst in een hyperkinetische wereld. ECaChris Dercon - Ik zou een museum willen maken waar de dingen elkaar overlappen - uitgave van het Nai.De tentoonstelling Exploding cinema loopt van 24 januari tot en met 4 februari, elke dag en met speciaal langere openingstijden in het Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam. Op 28 januari geeft Raymond Bellour er een lezing: From Cinema to another Cinema. En op 2 februari zijn curator Hans Ulrich Obrist en architect Rem Koolhaas in gesprek over het themaCity-Cinema-Museum.