Advertentie
Advertentie

Maar wat steken ze toch uit met ons geld?

Maar wat steken ze toch uit met ons geld? Overal ter wereld kun je die uitroep horen. Hij is afkomstig van burgers die bang zijn voor een overheid die hun belastingsgeld over de balk slingert. In Mormoiron, dorp aan de voet van de Mont Ventoux, beschouwt men deze internationale slagzin als een eigen cultuurbezit. Mormoiron gebruikt hem als titel voor het informatieblad van de mairie. Mai de que fan de nostri sou? Dat is de Provençaalse versie van de gemeenzame Franse uitspraak: Mais quest-ce quils foutent de notre argent? Je mag er een staaltje van zuiderse humor in zien. Het is ook een staaltje van wetsovertreding door de overheid zelf.De Franse Republiek kent maar één taal voor het hele land en zijn aanverwante grondgebied. Die taal is (u vermoedt het al) het Frans. Alle andere nationale of gewestelijke talen en dialecten zijn sinds lang verboden voor officiële diensten en mededelingen. De Republiek is une et indivisible en zo is ook haar landstaal. Als de Vroede Vaderen van het vreedzame dorp Mormoiron Provençaals willen gebruiken, mogen zij dat gerust doen in hun stamcafé of bij het petanquespel, maar zij moeten het Frans gebruiken als zij, in hun hoedanigheid van gekozenen des volks, hun citoyens toespreken, in de mairie vergaderen, reglementen opstellen of een gemeentelijk berichtenblad uitgeven. Doen zij dat niet, och, komaan, wij gaan daar nu geen zaak van maken, veel kwaad kan het niet, maar zeg het niet aan Die van Parijs.* * *Ja, wat steken ze toch uit met ons geld? Wel, soms ook iets moois, zegt mon ami Léon. De jongste tijd zie je op menige zuiderse verkeersweg straatnaamborden opduiken met bovenaan de officiële naam van een stad of gemeente en daaronder de oude, meestal klankrijke naam die zij vroeger, in een ver verleden, placht te dragen. Ook dat mag niet. Gemeenten en steden, dorpen en gehuchten, zij heten zoals Marianne hen aanspreekt. Haar Republiek steunt zich zowaar op een koninklijk decreet, eentje van François I uit 1539, dat nog altijd van kracht is.En wat zien wij nog als wij ons republikeinse oog over het royale land laten dwalen? Ook in de benamingen van woningen, hotels en andere verblijfplaatsen, in titels van verenigingen en clubs, ja, in initiatieven die gesteund worden door de Conseil Régional, zien wij almaar meer Provençaalse woorden opduiken. Betekent dit misschien dat de actieve beoefening van de middeleeuwse troubadourstaal opnieuw toeneemt? Zijn de Provençalen bezig het voorbeeld van de Vlamingen na te volgen die, na lange strijd, hun eigen taal hebben teruggegeven aan hun eigen land?Nee, het spijt ons, wij die houden van een muzikale, dichterlijke taal, die leeft in het hart van de mensen. Nee, het Provençaals kan helemaal niet concurreren met het Frans. Alle pogingen om de vroegere talen van Frankrijk te doen herleven, werden jaren- en eeuwenlang met succes door Parijs bestreden. Dat de wetsovertredingen thans oogluikend worden getolereerd, bewijst alleen maar dat alle inspanningen van culturele autonomisten onschadelijk en bijna folkloristisch zijn geworden.En toch!, zegt mon ami Léon, die zelf maar une connaissance passive van het Provençaals bezit en die een republikeins hart onder zijn hemd voelt kloppen.* * *En toch! Léon, die een amateur-geschiedkundige is en al zeshonderd en tien paginas van een Histoire de Sainte-Marie des Abeilles bijeen heeft geschreven, kan niet genoeg benadrukken dat de zuiderse Langue dOc oudere adelbrieven heeft dan de Langue dOil uit het Noorden die haar heeft overwonnen. Wij zijn nu eenmaal de kleinkinderen van Romeinen en Grieken, zegt hij en hij roept het visioen op van de Romeinse legioenen die via de Provence het Westen zijn binnengetrokken en, met hun wapens, hun cultuur meegebracht hebben, in een tijd toen de lichtstad Parijs nog geen kaarsenvlammetje groot was. (Als ik Léons profiel bekijk, met zijn platte boksersneus en zijn blonde haar, kan ik daar moeilijk een Romeinse senator in herkennen, maar dit terzijde, God weet wie allemaal in het voetspoor van de legioenen meeliepen).De Langue dOc heeft zich in elk geval uit het invasieleger ontwikkeld en de woordenschat van haar belangrijkste variant, het Provençaals dus, komt voor drie vierde uit het Latijn voort. Zijn zinsbouw is er ook mee verwant, maar minder. Zijn uitspraak is niet overal dezelfde en er zijn ook vele streekeigen woorden, maar de toon wordt aangegeven door le rhodanien, de spraak uit de gebieden langs de Rhone, uit Arles, le Comtat-Venaissin, le Gard en een deel van de Hérault. In dat gebied is de herleving van de Provence begonnen en daar zijn haar belangrijkste literaire werken geschreven.Zijn grootste glorie heeft het Provençaals gekend ten tijde van de middeleeuwse troubadours, toen zelfs een Dante vanuit Italië in hun richting keek en zich afvroeg of hij zijn werk niet beter in hun taal zou schrijven. Helaas, onder de druk van het oprukkende Franse koninkrijk, dat een na een de omliggende hertog-, prins-, koning- en andere dommen onder zijn scepter bracht, zijn de nakomelingen van de minnezangers een ander liedje gaan zingen. De Langue dOc verzwakte, verloor invloed, werd vervolgd. Pas in de 19de eeuw beleefde zij een culturele renaissance, toen de Félibrige werd gesticht, de kring rond Frederic Mistral die nostro lengo mespresado, onze misprezen moedertaal, in eer wilde herstellen. Haar hoogtepunt beleefde die beweging toen Mistral in 1904 de Nobelprijs voor Literatuur kreeg. Tien jaar later werd haar uitstraling verduisterd door de ellende van de Eerste Wereldoorlog.* * *Hoeveel mensen uit welke streken gebruiken nu nog de Langue dOc? Er bestaan geen officiële statistieken. De niet-Franse talen van Frankrijk worden niet geteld, aangezien zij... niet bestaan. Steekproeven die al meer dan twintig jaar oud zijn, geven ons een aanduiding. Twee miljoen van de twaalf miljoen inwoners van lOccitanie spraken toen nog de taal, zes miljoen konden ze begrijpen zonder ze te spreken. Weer tien jaar later leerde ons een sondage dat in vier departementen (Aude, Hérault, Gard, Lozère) op zowat 1,4 miljoen inwoners 850.000 de taal begrepen. Deze mensen woonden vooral in de dorpen en kleinere stadjes. Het Provençaals is de taal van buiten. Vooral boeren en oudere mensen gebruiken haar nog, pour parler des choses de la terre. Op de boerenmarkten kan men ze vaak naar hartelust beluisteren. En rond Kerstmis kent het Provençaals op vele plaatsen een glorieuze tijd. Dan worden de Pastorales gespeeld, volkse versies van het Kerstverhaal, waarin zowat allen en alles optreden die kleur geven aan het volksleven. Daar is geen woord Frans bij.En de literatuur? Als men nu in de andere gewesten en landen spreekt over Provençaalse schrijvers, denkt men veeleer aan Franstaligen die de Provence als inspiratiebron, decor of achtergrond gebruiken: Alphonse Daudet, Marcel Pagnol, Jean Giono, Henri Bosco... De literatuur in de oude streektaal bestaat nog, maar is een vorm van culturele hobby en volkskunst geworden, met hier en daar welwillende uitschieters. Streekschrijvers krijgen kleine oplagen (500 à 1.000 exemplaren), vinden weinig of geen mediabelangstelling, geen interesse van Franse artistieke tijdschriften. De productie van hun werk is zeer duur: de drukkers vragen een hogere prijs voor het zetten van Provençaalse teksten. Zij beschouwen het Provençaals als een vreemde taal en daar mogen zij 30 procent meer voor vragen. De elektronische tekstverwerking kan daar iets aan doen. Bepaalde culturele verenigingen trachten een eigen uitgeverij(tje) te drijven, met vrijwilligers die gratis teksten zetten en vorm geven, zodat alleen het eigenlijke drukken aan een professionele firma moet worden toevertrouwd.En de chansons? In Frankrijk eindigt alles met een liedje, zegt men, en in de Provence zingt men zeker niet minder. La chanson dOc weerklinkt nog wel op volksfeesten en familieplechtigheden, hier en daar ontmoet je Provençaalse Willem Vermanderes die alle genres beoefenen, traditionele romances zowel als rappersachtige uitschreeuwers. Op de radio hoor je ze weinig, op de beeldbuis komen zij vrijwel niet, tenzij een keertje op een gewestelijke zender, in de winkels vind je van hen heel weinig opnamen.Her en der in de grote Provincia nostra leven plaatselijke kringen die daar iets willen aan doen. Zij groeperen zich in een paar overkoepelende organisaties, waarvan de actie doet denken aan de jonge Vlaamse Beweging van weleer. Zij geven wat taalcursussen, organiseren conferenties en toneelvoorstellingen, publiceren blaadjes, tekenen resoluties en petities. De grootste organisatie, Parlaren, een VZW uit 1975, opererend vanuit Bollène, zou tweehonderd kringen bereiken. Zij was het die het plaatsen van eigentalige straatnaamborden heeft gepropageerd. In vier jaar tijd zijn 170 Provençaalse gemeenten daarop ingegaan. Maar het belangrijkste kan zij maar niet verkrijgen: echt officieel onderwijs in de streektaal.Mon ami Léon geeft een typisch voorbeeld van het prestige dat de oude taal in haar eigen streek geniet. Toen ik in de Elzas kwam, trof het mij dat ik in de winkels vaak eerst in het Elzassisch werd begroet en aangesproken en pas daarna in het Frans. Bij ons is dat omgekeerd. Wij beginnen in het Frans. Behalve als wij elkaar uitschelden.... In de ruïnes van Les Baux de Provence, waar ze eenmaal hun liefdesfeesten hielden, hun cours damour, liggen de troubadours weemoedig te neurieën in hun rotsgraf. Behalve een paar dichters kan niemand ze horen. Er lopen te veel toeristen rond, die niet weten wat uitsteken met hun geld.