Advertentie
Advertentie

Mal Waldron (1925-2002)

Goede Mal,Toen ik arriveerde in kamer 402 van het Instituut Bordet was je al vertrokken. Alleen je handen waren er nog, hun aanwezigheid vulde de kamer. Ze lagen gedrapeerd op het witte laken, krachtig, elegant. Klaar om een akkoord aan te slaan waarvan alleen jij het geheim kende, en dat nu nooit meer werkelijkheid zal worden.Een paar uur vroeger had je nog een Fanta gedronken met kleine slokjes en met fluisterstem een mop verteld, een van de miljarden die je opgeslagen had in je hoofd, samen met talloze telefoonnummers, ook van mensen die je maar eens in de zoveel jaar opbelde.Dat waren allemaal trucs, zei je, om je muzikale geheugen te oefenen op het verwerken van honderden akkoordengangen. Zoals het spelcomputertje dat je uren aan een stuk kon bespelen, in de drukte van kleedkamers, vliegtuigen, treinen, stations, restaurants, zo troonde je als een sfinks met een minuscuul groen kubusje dat kleine piepgeluidjes maakte in je grote, donkere handen.Het waren ook, zo vermoedde ik wel eens, even vele manieren om afstand te houden tussen de werkelijkheid en je zelf. Om de Mal te beschermen die in de vroege jaren voor altijd beschadigd was door het racisme van New York. Door de dood van Billie Holiday die hij zijn grote zuster noemde. Door de overdosis die hem in 1963 aan het einde van een lange verslaving bijna de dood injoeg. Wat zou je vriendelijk plagend met je hoofd hebben geschud bij zoveel amateuristische zielenknijperij.Sinds je weg bent, kom ik je overal tegen. Een zekere Malcolm Earl Waldron, geboren in New York City op 16 augustus 1925 en overleden in Brussel op 2 december 2002. Ik zag je in de Times, de New York Times, The Independent, El Pais, De Standaard, Le Monde, Libération, de NRC, De Volkskrant, Corriere della Sera, Republicca. Lange stukken, grote fotos in kranten uit alle landen ter wereld waar je in je nomadenbestaan piano was gaan spelen en bijgevolg vrienden had gemaakt. Je kreeg gelijk. Omdat je zo lang leefde, zei je met dat onnavolgbare giechellachje van je, werd je elk jaar een beetje beroemder zonder iets te doen. En nu ben je beroemder dan ooit.Sommigen noemden je de voorbije dagen natuurlijk de laatste begeleider van Billie Holiday. Anderen, iets meer in de breedte geïnformeerd, wisten dat je ooit voor John Coltrane een ballad schreef die een klassieker van de moderne jazz werd. Soul eyes heet ze, een sprekende titel die ook op je eigen blik van toepassing was. Nog anderen, de echte specialisten, wisten te vertellen dat je met Eric Dolply had gespeeld, en met Charles Mingus en met Abbey Lincoln en met Jackie McLean en met Max Roach. En dat je filmmuziek schreef voor Trois Chambres à Manhattan van Marcel Carné, The Cool world van Shirley Clarke, Love, sweet bitter van Herbert Danska, de gangsterfilm Tokyo blues van Haruki Kadokawa. En dat je vooral in Japan beroemd en geliefd was. Als de auteur van Left alone en andere stukken in melancholisch mineur werd je er geëerd als een eenzame dichter en een tragische figuur. Niemand zag er ooit de waanzinnige bekken en de komische danspassen die je backstage demonstreerde voor je het podium op moest.De auteur van dat vele opgesomde moois lijkt een dubbelganger van de andere Mal Waldron die ik persoonlijk kende. Een heel bijzondere gewone man die graag fotos van zijn kinderen uit een dikke portefeuille haalde. En die slechts een piano, een paar luisteraars en een pakje sigaretten nodig had om zich thuis te voelen. Om het even welke piano, om het even waar. Een oude upright in een café of een huiskamer, de grote Steinway in de Penthouse van Lincoln Center, het deed er niet toe. De sigaretten lagen iets moeilijker. Het moesten bij voorkeur de haast onvindbare en op cigarillos gelijkende menthols van het merk More zijn. Met eindeloos geduld had je een wereldwijd netwerk opgebouwd van leveranciers die je opbelden als ze nog ergens een slof hadden ontdekt. Desnoods nam je in Brussel-Zuid speciaal de trein naar Duitsland als er daar ergens een voorraadje was gesignaleerd. Je had plezier in het onbegrip dat dergelijk maniakaal gedrag opwekte bij anderen zoals ik.Sinds vorige week maandag blijven de berichten toekomen, dag en nacht. Van bekende muzikanten en van gewone fans. Mensen in kleine steden die ooit, in 1961 of een ander jaar, door een bepaalde plaat of een optreden van je geraakt werden en zich dat tot vandaag zijn blijven herinneren. Festivaldirecteurs en bazen van grote clubs lieten weten dat een groot muzikant van ons is heengegaan. Wat dacht je? Het zijn dezelfden die niet eens aan de telefoon wilden komen om over een concert te onderhandelen omdat je te ouderwets was of te modern, overbekend of net niet bekend genoeg, of geen grote platenfirma achter je had. Ik wind me daar nog altijd over op, zoals ik me ooit boos maakte over het godgeklaagde feit dat geen enkel conservatorium in België jou, een geprivilegieerde getuige van de geschiedenis van de moderne jazz, ooit voor zijn jazzfadeling heeft gevraagd. Jij haalt, haalde in zulke situaties hoogstens je schouders op. En nu niet eens dat meer.Bij de pointe van die laatste grap in kamer 402 flitste in je ogen nog een keer het bekende licht dat al een paar dagen aan het verdoffen was. Vervolgens ben jij, die altijd zo traag was, ons en de komende pijn te snel af geweest. Je glipte ongemerkt weg terwijl je deed alsof je sliep.Goede Mal, het is mooi geweest.Rob LEURENTOPRob Leurentop was een persoonlijke vriend en de zaakgelastigde van Mal Waldron.