Advertentie
Advertentie

Natuur valt in het water

De wielewaal (Oriolus oriolus) is opnieuw in onze contreien. Het is dus 1 mei geweest. Je zou het niet meteen merken als je je hoofd nog durft buiten te steken. Maar alle kalenders bevestigen het: een derde van het jaar zit er inmiddels op. Vanuit het standpunt van de natuur bekeken, zijn er echter merkwaardige dingen aan de hand. Nog nooit sinds er metingen worden gedaan, was april zo nat. Het probleem met een uitzonderlijk natte aprilmaand is, dat ze zo cruciaal ingrijpt in het ontluikende leven. We geven een zeer onvolledig overzicht van de vochtige gevolgen voor de voornaamste groepen organismen.Beginnen we met de vertegenwoordigers van het plantenrijk. Hier dienen we onmiddellijk een onderscheid te maken tussen verschillende grote groepen. Laten we van start gaan met de mossen. Heel waarschijnlijk zullen zij nog het minst van de uitzonderlijke omstandigheden te lijden hebben. Het hoogtepunt van deze nietige soorten is immers grotendeels achter de rug. De levenscyclus is meestal het cruciale stadium van sporenvorming voorbij. Bovendien zijn ze tijdens de winterperiode al met heel wat gure levensomstandigheden geconfronteerd geweest, zodat het lenteseizoen hoe dan ook enige verbetering betekent. Wat ze wel nog zou kunnen overkomen, is dat de sporen wat meer rotten dan in andere jaren. Maar ook dat zal wel meevallen, omdat waterige omstandigheden over het algemeen niet zon probleem vormen. Ofwel wordt de kieming wat uitgesteld wanneer de bodem langer onder water staat dan normaal, ofwel zal de inkapseling van de sporen wat drastischer verlopen. Dat vertaalt zich in de vorming van een dikkere buitenlaag als bescherming tegen overvloedig water op het terrein. Hieruit mag dus blijken dat ze het er nog relatief goed zullen vanaf brengen.Dit kan in zekere mate ook gelden voor de echte waterplanten, alhoewel we hier al wat kanttekeningen moeten plaatsen. April is namelijk de maand waarin heel wat plantensoorten uit de waterbodem naar de oppervlakte moeten groeien, en door de hogere waterstanden vraagt dit proces meer energie dan gewoonlijk. Hierdoor kan de kwaliteit van de groene plantendelen, en later de bloemen, er op achteruit gaan. Daardoor worden deze minder krachtige plantendelen gemakkelijker belaagd door allerlei soorten parasieten. Wanneer het uiteindelijke gevolg is, dat minder levensvatbare of gewoon minder zaden worden gevormd, kan dit negatieve gevolgen hebben voor het volgend groeiseizoen in de lente van 2002. We merken nu al dat er minder groene plantendelen boven het wateroppervlak uitkomen. Wat er dan toch bovenuit steekt, wordt meer belaagd door de plantenetende waterbewoners. Het gaat dan vooral om de muskusrat, maar ook sommige watervogels laten zich kennen. Dit zal ongetwijfeld een slechte invloed hebben op de levenskwaliteit van zowel planten als dieren. Het voedselaanbod van de dieren is beperkter, waardoor ze minder krachtig worden. De moerasplanten zullen hier nog meer last van hebben, omdat ze te lang met hun voeten (of meer) in het water hebben gestaan. Trop is ook hier te veel. Zelfs voor een echte moerasplant als de dotterbloem (Caltha palustris) is het afwachten of de vruchtzetting kwalitatief kan verlopen. De meeste boomsoorten aan de waterkant verdragen niet zo goed overstroming in het groeiseizoen, en de andere moerasplanten wier rijk zich bevindt op de overgang van land en water zien hun levensgebied opgeschoven met soms vele meters. Hierdoor komen de echte oeverplanten in te diep water terecht, en de soorten die meer op het droge staan, krijgen te lang en te veel water over zich heen. De reproduceerbaarheidsfactor zal er zeker door dalen. De planten die het moeten hebben van een droger milieu, zullen al bij al misschien nog het slechtst af zijn. Vooral bij de voorjaarssoorten zal de vruchtzetting van een duidelijk mindere kwaliteit zijn. Soms zie je nu al dat er geen nageslacht komt. Dit is het geval bij onder andere de bosanemoon (Anemone nemorosa) die verdwijnt waar ze te lang onder water heeft gestaan. Als de wortelstok niet afgestorven is, kan ze wel vrij vlug herstellen. De plantensoorten van relatief zware gronden (leem en klei) betalen de hoogste prijs, omdat het water er het langst blijft staan.De schimmels en zwammen doen het ook niet zo goed, ondanks de vochtige leefomgeving. Deze organismen hebben wat meer warmte nodig. Als het de komende dagen wat warmer wordt, en even vochtig, dan gaan deze soorten zich exponentieel vermenigvuldigen. Als het bovendien blijft regenen, is dit een groep die de wind fel in de zeilen krijgt (om enigszins in het herfstjargon te blijven).Bekijken we de amfibieën. Op het eerste gezicht is er geen vuiltje aan de lucht. Instinctmatig denk je dat er niet genoeg water kan zijn voor padden, kikkers en salamanders. Vergeet het maar. Op veel plaatsen zijn de afgezette eieren (dril) weggespoeld in een belendende beek, of blijven ze plakken tussen het gras aan de poeloever, waar ze binnenkort misschien toch zonder water vallen, of waar ze kunnen worden vertrappeld door het vee dat nu naar buiten moet. Het aantal jonge amfibieën zal drastisch kleiner zijn dan andere jaren. De vraag blijft hoe deze toch al erg kwetsbare soorten zich van dit snertjaar zullen weten te herstellen.Als je toch al wat zou hebben gewandeld de voorbije maand, dan denk je waarschijnlijk dat het voor heel wat insectensoorten ook niets wordt. Hoe moeten hommels, bijen, mieren en vliegen er immers in slagen droge nestplaatsen te vinden? Bovendien is het voedselaanbod voor de meeste soorten ook al niet je dat, omdat er heel wat planteneters in de gelederen zitten. De insecten die afhankelijk zijn van stilstaande, waterige milieus (libellen, waterkevers) slaan zich er nog het best doorheen. Zij die zich ophouden in stromend water (onder andere larven van steenvliegen en kokerjuffers) zullen het veel moeilijker hebben door te hoge waterstanden en te hoge stroomsnelheden van beekwater, waardoor ze kunnen wegspoelen of te veel zuur regenwater door de strot geramd krijgen. De marcushaarmuggen (Bibio marci) die normaal omstreeks het feest van de H. Marcus op 25 april massaal rondvliegen, zijn nu slechts hier en daar in kleinere aantallen te bespeuren. Het gaat om die pikzwarte insecten die met hangende poten op ooghoogte zweven. Ongetwijfeld zijn de meeste larven, die hun hele leven onder de grond doorbrengen, verdronken of weggespoeld.Een andere groep die het moeilijk heeft, zijn ongetwijfeld de zoogdieren. Alle soorten die in droge pijpen of holtes wonen, beleven zonder meer de zondvloed van hun (meestal korte) leven. (Woel)ratten en muizen, mollen en konijnen, sterven bij bosjes de verdrinkingsdood, of hebben het zo druk met overleven, dat ze niet toekomen aan reproductie. De grondbewonende soorten waaronder de meeste roofdieren, zoals de bunzing (Mustela putorius), hebben het ook niet onder de markt, omdat ze geen droge nestplaatsen vinden. Dit is nochtans een absolute voorwaarde om gezonde jongen voort te brengen. Bovendien is het voedselaanbod kleiner doordat hun prooi (onder andere knaagdieren) dikwijls omgekomen is. Ook drogere vertegenwoordigers als de egel (Erinaceus europaeus) hebben het erg moeilijk. Her en der vind je verdronken exemplaren, de wijfjes soms nog duidelijk zwanger.Ten slotte komen we bij de vogels terecht, waar er een duidelijk verschil is tussen de echte waterbewoners (eenden) en de andere. De eerste categorie is natuurlijk beter af, maar zowat alle soorten zullen het heel wat moeilijker hebben om aan voedsel te geraken dan anders. Door het vele water hebben de prooien immers meer kans te ontsnappen. Voedsel zoeken in de voortplantingstijd vraagt dus meer energie, wat minder sterke jongen en verzwakte ouders oplevert. Heel wat soorten zijn intussen al aan een tweede broedpoging bezig. Vooral bij de reigerachtigen valt dit op. In Planckendael werd melding gemaakt van een ooievaar (Ciconia ciconia) die al enkele dagen geleden aan de terugtrek begonnen is. Als er nu een weersverbetering komt, dan zal het voor de reigerachtigen nog meevallen. Zoniet is het een echte ramp. Meestal brengen ze maar een tot twee jongen per nest groot. Bij aanhoudend nat weer zullen zowat alle nesten mislukken. Ook voor de niet-watervogels duiken problemen op. De ringresultaten bij bijvoorbeeld de bosuil (Strix aluco) zijn schrikbarend: waar andere jaren gemiddeld twee tot drie jongen per koppel werden geringd, kon men in noordelijk Vlaams-Brabant slechts twee jongen op zes nesten een ring over de poot schuiven. In de nesten lagen veel ongekipte eieren en dode jongen.Vergeten we nog de soorten niet te vermelden die broeden in een lage oeverwand, zoals de ijsvogel (Alcedo atthis). Vele broedsels zullen overspoeld worden door het hoge water in de beken. Gelukkig is de ijsvogel de voorbije jaren opnieuw vrij algemeen geworden door de zachte winters en een groter prooiaanbod door meer proper water. Bovendien ligt het geboortecijfer zeer hoog: drie broedsels van elk vijf eieren zijn geen uitzondering. Theoretisch zou de natuur dit soort toestanden zonder al te grote problemen moeten kunnen overbruggen. Maar op vele plaatsen is de algemene toestand van het milieu zodanig zorgwekkend, dat we ons toch zorgen zouden moeten maken over de biodiversiteit in ons land. De toestand is (zeer) ernstig , maar (nog) niet hopeloos. Herman DIERICKX