Ga naar De Tijd ×
×

Ondernemers en hun goede werken

  • 21 december 1996 00:00

Advertentie

Advertentie

Advertentie

'Het is de plicht van de ondernemer om rijkdom terug te geven aan de maatschappij, die hem toegelaten heeft zijn fortuin te vormen', vertelt Georges de Graeve. De voormalige voorzitter van BP Belgium is een van de talrijke Belgische bedrijfsleiders voor wie persoonlijk mecenaat geen ijdel woord is. Wie zijn de Belgische Carnegies en Getty's die hun goede werken liefst in alle discretie verrichten? Niet alle ondernemers geven zomaar toe aan de onverbiddelijke pecuniaire wedloop. Waar zitten die 'goede herders'? Er bestaat geen systematische inventaris van goede werken. We gingen naar hen op zoek. Uiteraard vonden we ze niet allemaal. Bovendien bleek het een moeilijke zoektocht, want de Belgische mecenas handelt het liefst discreet. Dat heeft deels te maken met fiscale motieven, deels met culturele redenen. Rijkdom hoort nog steeds niet in onze cultuur.

Een kerstverhaal.

Guy ElewautHet persoonlijk mecenaat van Belgische ondernemers heeft een lange traditie. De 'entrepreneurs' die ons land tijdens de Belle Epoque naar een industrieel hoogtepunt dreven, vergaten hun medemens niet.

Ernest Solvay (1838-1922) was ongetwijfeld de bekendste onder hen. Hij verbeterde de werkvoorwaarden van zijn arbeiders drastisch, richtte populaire bibliotheken op en huishoudscholen. In 1918 schonk Solvay het toen enorme bedrag van 1 miljoen frank aan de Belgische Werkliedenpartij, om er opleidingen mee te financieren.

Solvay financierde ook het hoger onderwijs. Hij richtte het Elektro-Fysiologisch Instituut Solvay (1893) op, het Instituut voor Sociale Wetenschappen (1894), dat later uitgroeide tot het Sociologisch Instituut (1901), de Handelshogeschool Solvay (1903), het Laboratoire Energétique in Parijs (1906).

Solvays tijdgenoot Georges Montefiori-Levi (1832-1906), een van de rijkste Belgen, opende in 1883 aan de Luikse Ecole des Mines het Institut Montefiori, een pionier in de opleiding burgelijk ingenieur. Ook de belangrijkste filantropische realisaties van Lieven Gevaert (1868-1935), de pionier in fotografische producten, situeerden zich op het vlak van het onderwijs met de oprichting van het Sint-Lievenscollege en de Sint-Lutgardisschool.

Eveneens in Antwerpen schonk handelaar Edouard Bunge (1851- 1927) in 1924 een miljoen frank aan de Koloniale Hogeschool, voor de oprichting van een handelsafdeling. Dank zij een ander belangrijk legaat werd in 1933 het Bunge-instituut opgericht, het enige grote Belgische centrum in neurologisch onderzoek. In 1962 werd dat aangevuld met de Born-Bunge Foundation, waaraan niet enkel de Antwerpse tak van de familie Bunge (baron Bracht van de plantagegroep Sipef), maar ook de Argentijnse nakomelingen van Bunge bijdragen. Voor Bunge&Borne, het grootste Argentijnse privé-concern, zetelt Jorge Borne in de 'board of trustees' van de stichting.

Andere bekende filantropen uit de tijd van Bunge, Gevaert en Solvay waren Jonathan Bischoffsheim (1808-1883; Paribas), Adolphe Greiner (1842-1915; Cockerill), Jacques Cassel (1847-1930; Banque Cassel), Josse Allard (1868-1931; Banque Cassel) en Raoul Warocqué (1870-1917), begin deze eeuw de rijkste Belg.

Familiefortuin

Maar ondanks hun enorme toewijding zetten Solvay en de meeste van zijn collega-filantropen nooit de ultieme stap: de volledige overdracht van hun fortuin aan een stichting. De Belgische traditie om het vermogen van generatie op generatie door te geven, bleek te sterk. Toegegeven: Ernest Solvay kwam pas op het laatste nippertje 'tot bezinning', tot groot geluk van de huidige familiale aandeelhouders van de gelijknamige chemiegroep. Tot kort voor zijn overlijden was hij vastbesloten geweest zijn volledige fortuin weg te schenken.

Een van de weinige Belgische filantropen-met-kinderen die het toch over zijn hart kreeg om zijn kinderen over het hoofd te zien, was Baron Henri Lambert (1887-1933), vader van de legendarische Léon Lambert. Bij zijn overlijden kwam zijn volledig fortuin in handen van de tehuizen van de stad Brussel. Ook Louis Empain (1908-1976) en Antoine Allard (1907-1981) gaven hun hele fortuin op voor de goede zaak. Louis, de jongste van de twee zonen van de imperiumbouwer Edouard Empain, gaf het grootste deel van zijn fortuin - geactualiseerd 17 miljard frank - aan Pro Juvente, opgericht voor mentaal gehandicapte kinderen. Maar ondank is 's werelds loon: Louis Empain stierf eenzaam en door iedereen verlaten, een misbegrepen filantroop.

Antoine Allard, zoon van de belangrijke bankier Josse Allard, schonk het grootste deel van zijn fortuin weg aan de beweging 'Stop War' en andere liefdadigheidswerken. Allard, een intimus van koningin Elisabeth, verkoos het tekenen boven het bankieren. Een merkwaardige figuur, die Allard: om zijn communistische sympathieën werd hij ook wel de Rode Baron genoemd. Hij had een speciale voorkeur voor China. Zijn weduwe Elena Allard-Schott organiseerde vorig jaar nog een stelling met tekeningen van Allard, getiteld 'Mijn vertrouwen in China'.

Francqui

België heeft niet de gigantische stichtingen die in de VS bestaan, maar toch zijn er verschillende met honderden miljoenen eigen vermogen. De grootste stichting opgericht door een ondernemer, is het Francqui-fonds. Emile Francqui (1863-1935) was gouverneur van de Generale Maatschappij van België en verscheidene keren minister van Financiën. Hij richtte in 1920 ook de Universitaire Stichting op en hij verzamelde ijverig de 120 miljoen frank die nodig was voor de oprichting het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek (NFWO).

'Het Francqui-fonds heeft tot doel de aanmoediging van onderzoek', vertelt professor Luc Eyckmans. De Francqui-prijs en Francqui-leerstoelen zijn een belangrijke activiteit. Het in 1932 opgerichte fonds beschikt over een kapitaal van ongeveer 1 miljard frank en een jaarlijks budget van 50 miljoen frank. 'Het kapitaal werd in de jaren dertig bijeengebracht, door schenkingen van Francqui en zijn vriend, de Amerikaanse president Herbert Hoover. Francqui schonk 100.000 frank en Hoover, op persoonlijke titel, 200.000 dollar, op voorwaarde dat het fonds de naam droeg van Francqui.'

In de raad van bestuur van het Francqui-fonds treffen we nu grote namen aan: Jacques Groothaert (G-Bank), Yves Boël (Sofina), Etienne Davignon (Generale Maatschappij), Daniel Janssen (Solvay), Paul Janssen (Janssen Pharmaceutica) en Luc Wauters (Kredietbank).

Een andere bekende Belgische ondernemer die een fonds oprichtte, was de kinderloze selfmade-man Emile Bernheim (1886- 1985), de grote man achter de opgang van Innovation, later Inno-Bon Marché (nu GIB). De Emile Bernheim Stichting bezit onder meer 1,42 procent van GIB, bij de huidige beurskoers 600 miljoen frank waard. Suzanne Chabot, de nu 103-jarige echtgenote van Bernheim, geniet tot haar overlijden het vruchtgebruik van de stichting. Daarna komt de stichting onder de hoede van de Belgische Stichting Roeping, die Bernheim in 1963 oprichtte. Deze stichting moedigt jonge mensen van 18 tot 30 jaar oud aan bij de realisatie van 'een passie'. 'De Stichting Roeping, die nu vooral leeft van giften, kent jaarlijks zo'n vijftien beurzen toe van gemiddeld 300.000 frank', aldus secretaris-generaal Frie Dierickx Visschers.

Klinkende en niet-klinkende namen

Herman Houtman is geen klinkende naam in de Belgische haute finance. Deze middelgrote 'agent de change' werkte zich via zijn financieringsmaatschappij Sogefin op tot miljonair. Het Fonds Houtman, in 1989 opgericht onder de hoede van de Office de la Naissance et de l'Enfance (ONE), de Franstalige tegenhanger van Kind en Gezin, heeft een vermogen van ongeveer een half miljard frank. 'De kinderloos gestorven Houtman bepaalde dat zijn fortuin moest gebruikt worden voor benadeelde kinderen', vertelt voorzitster Francine Goossens.

Twee andere grote stichtingen zijn de stichtingen opgericht door Léon Verhelst en graaf Alfred de Baillet-Latour. Samen controleren deze fondsen 2,4 procent van Interbrew, aan te vullen met 0,6 procent die burggraaf André de Spoelberch in vruchtgebruik gaf. De gezamenlijke waarde van deze drie participaties bedraagt minstens 1,5 miljard frank. Vooral de stichting Baillet-Latour is bekend met zijn tweejaarlijkse prijs ter waarde van 6 miljoen frank, de meest prestigieuze prijs op medisch vlak in België en een van de grootste in Europa.

Cultuur

Een ander groot Belgisch vermogen is in het bezit van het Noordstarfonds. In 1935 werd het opgericht door Rodolf Overfeldt (1886-1950), een van de stichters van de Gentse verzekeraar Noordstar. De kinderloze Overfeldt bracht in het fonds zijn belang van 25 procent in de verzekeringsmaatschappij in, een participatie die in de jaren 80 terugliep tot een goede 5 procent. Nu bezit het Noordstarfonds nog 2,67 procent in de fusiegroep Mercator-Noordstar, goed voor een waarde van 334 miljoen frank. Samen met de opbrengst van de verkopen in de jaren 80 moet Noordstarfonds nu over een kapitaal van goed 1 miljard frank beschikken, waarvan de opbrengst in culturele projecten wordt geïnvesteerd.

Om de discretie nog te verhogen, verkiezen sommige Belgische filantropen een Zwitserse stichting op te richten. Dat was onder meer het geval voor Antoine Leenaards (1895-1995), de stichter van Belgian Crown Cork Company (Belcrown), in België het best bekend van het Stopken in Deurne. Toen zijn enige kinderloze zoon Joseph stierf, stichtte Leenaards in 1980 de 'Fondation Antoine, Rose et Joseph Leenaards', voor liefdadige werken, in het bijzonder voor verlaten oude mensen. De stichting is waarschijnlijk verschillende miljarden rijk, want in 1958 ruilde Leenaards Belcrown voor een participatie van 5 tot 10 procent in Crown Cork Company, ondertussen de grootste verpakkingsgroep in de wereld.

Een andere vergeten maar erg belangrijke Belgische filantroop was Jean Biermans (1864-1953). Deze bescheiden bakkerszoon bouwde in Canada een gigantisch m uit via de trust Papers Makers. Hij opende er fabrieken, legde spoorwegen aan, ontwikkelde zelfs steden. Het echtpaar Biermans bleef evenwel kinderloos en bouwde met zijn fortuin onder meer ziekenhuizen en scholen. Uit dankbaarheid draagt de hoofdstraat van de Canadese stad Shawinigan zelfs de naam van de Belgische entrepreneur.

Biermans vergat ook België niet. De universiteiten van Leuven en Brussel kregen belangrijke giften. Zijn grootste project blijft evenwel de Fondation Biermans-Lapôtre, waaraan hij in 1925 het voor die tijd enorme bedrag van 25 miljoen frank schonk. Hiermee bouwde de stichting 225 kamers in het het Maison des Etudiants Belges in Parijs; zij baat die tot op de dag van vandaag nog uit.

Kleinere fondsen

De stichtingen Lippens, Emiel van de Gucht en Spes, zijn van een kleiner kaliber. De Stichting Paul, Suzanne, Renée Lippens werd in 1988 opgericht door Renée Lippens, de tante van Paul en Olivier Lippens van de Suikergroep. De stichting richt zich naar jeugdigen van vier tot twaalf jaar en beschikt over een eigen vermogen van 80 miljoen frank. De familie Lippens manifesteerde zich trouwens nog op een ander vlak als filantroop, toen Léon Lippens (1911-1986), de vader van Maurice (Fortis), in 1952 het natuurreservaat het Zwin oprichtte.

Emiel van de Gucht richtte in 1985 de gelijknamige stichting op. De flamingant Van de Gucht is de oprichter van Airtour, nu onderdeel van de groep Neckerman. De Emiel van de Gucht-stichting beschikt over zo'n 6,5 miljoen kapitaal en kent om de drie jaar een prijs van 1 miljoen frank toe rond de Vlaamse zaak.

De Spes-stichting werd goed tien jaar geleden opgericht, op initiatief van Jean-Pierre de Bondt, een zakenman vroeger actief in de distributiesector. Spes, het Latijn voor 'hoop', beschikt over een kapitaal van zo'n 80 miljoen frank. Spes financiert 'een stap voorwaarts' van buitengewone studenten, vaak een verblijf in het buitenland.

Boudewijn

Verschillende van de meest recente fondsen ontstonden onder de koepel van de Koning Boudewijnstichting, opgericht in 1976 naar aanleiding van de 25ste verjaardag van het koningschap van Boudewijn. Met een vermogen van 3,5 miljard frank en een jaarlijks budget van zo'n 750 miljoen frank, is de Koning Boudewijnstichting met ruime voorsprong de grootste Belgische stichting. In haar raad van bestuur treffen we verschillende belangrijke ondernemers aan, zoals Marcel van Audenhove (Gemeentekrediet), Edward Thielemans (Almanij), Paul Buysse (Hansen Transmissions), Philippe Bodson (Tractebel), Paul de Meester (BBM), Albert Frère (GBL) en Georges Jacobs (UCB).

Onder de koepel van de Koning Boudewijnstichting schuilen zo'n twintigtal nominatieve fondsen met een gezamenlijk vermogen van 700 miljoen frank. Het kapitaal moet minstens 3 miljoen frank bedragen, maar het Forton-fonds steekt daar bijvoorbeeld ruim bovenuit. Alphonse en Jean Forton, twee houthandelaars, richtten het fonds enkele weken geleden op. Het richt zich naar fundamenteel onderzoek rond mucoviscidose.

Het fonds Dominique de Graeve is heel wat kleiner. Georges de Graeve, de vroegere voorzitter van BP Belgium, richtte het dertig jaar na het overlijden van zijn oudste zoontje op. Omdat Dominique de Graeve omkwam bij een ongeluk aan de schoolpoort, zet het fonds zich in voor een veiliger schoolomgeving.

Een andere bekende Belgische ondernemer die bij de Koning Boudewijnstichting een fonds oprichtte, was Lionel van den Bossche (1923-1994), gedelegeerd bestuurder van Siemens België. Zijn fonds verstrekt beurzen aan jonge ondernemers. Ook Antoine Dopchie, telg uit een van de families van de distributeur GIB, heeft een fonds bij de Koning Boudewijnstichting.

Sommige Belgische fondsen beschikken niet over een eigen kapitaal, maar verzamelen jaarlijks hun middelen via mecenaat. Dat is onder meer het geval voor het Fonds Lieven Gevaert, waarvan het jaarbudget van enkele miljoenen verzameld wordt bij ondernemingen en ondernemers.

'Via schenkingen beschikt het Fonds Yvonne Boël jaarlijks over een budget van 15 tot 20 miljoen frank', zegt gedelegeerd bestuurder professor Roger Vokaer. Yvonne Solvay was de echtgenote van René Boël en kleindochter van Ernest Solvay. Het fonds Yvonne Boël, dat voorgezeten wordt door Yves Boël, zoon van René, financiert onderzoek naar baarmoederhalskanker. Het fonds financierde onder meer onderzoek van professor Albert Claude, Nobelprijswinnaar geneeskunde in 1974.

Diamantgeld

Een erg kapitaalkrachtige ondernemersgroep in België vormen de Antwerpse diamantairs. Zowel onder de joodse als Indiase diamantairsfamilies is liefdadigheid wijdverspreid. 'De joodse cultuur is doordrenkt van de idee dat men niet enkel op de wereld is gekomen om te nemen maar ook om te geven', zegt Willy Cats, de secretaris-generaal van de Centrale van de Joodse Welddadigheid. 'Tzedaka, het Hebreeuws voor weldadigheid, is een steunpilaar in onze ethiek.'

Een belangrijk deel van de goede werken door Belgische joden t via de Centrale van de Joodse Weldadigheid. Dit jaar bedraagt het budget van de Centrale 335 miljoen frank, waarvan een beperkt gedeelte afkomstig van schenkingen. Bekende donateurs van de Centrale zijn de diamantairs Abraham Lauw en Henich Apfelbaum. Het rusthuis en het dienstencentrum voor bejaarden van de Centrale zijn naar hen genoemd.

Een andere bekende joodse filantroop was Romi Goldmuntz (1882-1960), de dominante Antwerpse diamantair tijdens het interbellum en kort na de oorlog. Hij richtte in 1957 het Romi Goldmuntz-centrum op ter ondersteuning van de joodse cultuur. Tevens gaf hij zijn naam aan de synagoge aan de Antwerpse Van de Nestlei.

De filantropie van de Belgische joden gaat ook vaak richting Israël. Het museum van Nathanya in Israël heet niet toevallig Romi and Hélène Goldmuntz. Léon Maiersdorf schonk in 1974 125 miljoen frank voor de bouw van de Jeruzalem University. Sol Mark, een gepensioneerde Antwerpse diamantair, bouwt in Tel-Aviv het World Chess Center, dat onder voorzitterschap van wereldkampioen Garry Kasparov kansarme kinderen onderricht in schaken geeft. Het prijskaartje voor Sol Mark: 2 miljoen dollar.

Nog meer dan bij de joden vormt bij de Indiase diamantairs liefdadigheid een wezenlijk bestanddeel van hun leven. De Antwerpse Indiase kolonie belijdt het jainisme, een minderheidsgodsdienst in India. Het jainisme draagt soberheid hoog in het vaandel. Wie rijk is, moet de anderen en de kerkgemeenschap ondersteunen. Enkel zo kan men abru, aanzien, verwerven. Dat gaat tot in het extreme, want om rituele handelingen te mogen uitvoeren bieden de volgelingen van het jainisme tegen elkaar op via de dana.

De twee belangrijkste Indiase diamantairsfamilies - Mehta en Shah - financieren dan ook overvloedig de bouw van de extreem luxueuze tempel in Antwerpen. Vijay Shah richtte Shantilal Lallubhai op, een liefdadigheidsfonds ter ere van zijn vader. Kirtilal Manilal Mehta (1907-1993), de baas van de Gembel-groep, betaalde 20 miljoen dollar voor de bouw van het Lilivati Kirtilal Medisch Centrum in de sloppen van Bombay, genoemd naar zijn eerste vrouw.

Geld voor kunst

Naast de oprichting van fondsen en stichtingen, manifesteert de filantropie van Belgische ondernemers zich ook vaak in de schenking van belangrijke kunstcollecties. Een van de grootste schenkingen was die van Bénédict Goldschmidt (1905-1972) en zijn vrouw Anna Safieva. De prachtige kunstcollectie van deze partner van Bank Degroof, werd in 1988 overgedragen aan het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Brussel.

'De Goldsmiths waren ideale donateurs', geeft hoofdconservator Eliane de Wilde toe. 'De werken die niet permanent worden tentoongesteld, moeten door de executeur-testamentair worden verkocht. Dat genereert nieuwe middelen voor het museum. Het echtpaar schonk ook hun huis en overig patrimonium aan het museum, zodat het fonds Bénédict Goldsmith nu over een kapitaal van 45 miljoen frank beschikt. De opbrengst mag enkel aangewend worden om kunstwerken van levende kunstenaars te kopen.'

Een andere grote Belgische weldoener-zakenman op kunstgebied was de joodse financier David van Buuren (1886-1955), die eerst werkzaam was bij de Banque Cassel en vervolgens als zelfstandig financier. Van Buuren bouwde een indrukwekkende kunstverzameling op, mede door zijn vriendschap met Gustave van de Woestyne. Een deel van zijn waardevolle collectie schonk hij aan het Museum voor Schone Kunsten in Brussel. Het grootste deel wordt tentoongesteld in zijn huis/museum aan de Erreralaan in Ukkel. De rest van het fortuin brachten de kinderloze Van Buurens onder in de Stichting David Michel Van Buuren.

Ook het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten was in 1975 de begunstigde van een belangrijke schenking van een ondernemersfamilie. Het legaat Dr. Ludo van Bogaert, het grootste dat het museum ooit ontving, werd immers in belangrijke mate gefinancierd met het geld van zijn echtgenote Marie-Louise Sheid, erfgename van de familie die tot in 1960 de rederij Armement Deppe controleerde.

Andere belangrijke schenkingen door ondernemers aan Belgische musea gebeurden door de weduwe van de bankier Jacques Errera (1834-1880) aan het Museum voor Schone Kunsten te Brussel en door de Antwerpse handelaar Oscar Nottebohm (1865-1935) aan het Antwerpse Museum voor Schone Kunsten. Raoul Warocqué (1870- 1917) richtte het Museum van Mariemont op, Fritz Mayer-Van den Bergh het gelijknamige museum in Antwerpen. De vader van Fritz was de handelaar Emile Mayer en zijn moeder Henriette stamde uit de welbekende distilleerdersfamilie Van den Bergh.

Ook de Belgische bibliotheken mochten zich herhaaldelijk verheugen in schenkingen door Belgische ondernemers(families). Paul de Launoit (1891-1981), vader van graaf Jean-Pierre de Launoit, voorzitter van Royale Belge, schonk zijn waardevolle collectie Voltaire-boeken aan de Albertina. De belangrijkste 'boekengift' was van de hand van Odile Fontaine, de echtgenote van Louis Solvay, neef van Ernest Bij haar overlijden in 1962 ontving de Koninklijke Bibliotheek haar prachtige boekencollectie.

Georges de Graeve en baron Philippe Lambert zijn recente voorbeelden van cultureel mecenaat. De Graeve verkocht in 1995 aan het Gemeentekrediet zijn collectie van ongeveer honderd waardevolle schilderijen waaraan hij dertig jaar had gebouwd. 'Mijn voornaamste bekommernis was dat de collectie tezamen bleef en permanent wordt tentoongesteld', vertelt De Graeve. 'In ruil moest ik wel een forse minwaarde aanvaarden op de aankoopprijs. Aan een openbaar museum kon ik niet verkopen, want de kelders van de Belgische musea zitten zo vol dat men mij de permanente opstelling van mijn collectie niet kon garanderen.'

Voortgaand op het werk van zijn broer Léon Lambert, een verwoed kunstverzamelaar, bouwden zijn broer Philippe en diens vrouw Marion de Lambert Art Collection (LAC) uit, een van de belangrijkste fotocollecties van Europa. Kortgeleden kwam LAC op onaangename wijze in het nieuws toen BBL Suisse weigerde de LAC tentoon te stellen in zijn nieuwe gebouw in Genève.

Universiteiten

Mecenaat uit zich ook vaak in schenkingen aan universiteiten, in het bijzonder door oud-studenten. De kinderloze Jules Jadot (1873-1953), voorzitter van CFE en Tractionel, schonk een groot deel van zijn fortuin aan de universiteit van Leuven. Zijn broer Jean Jadot, gouverneur van de Generale Maatschappij, verzamelde kort na de oorlog 12 miljoen frank voor beide universiteiten.

Ook Edouard Empain (1852-1929) was een belangrijke weldoener van de universiteiten van Leuven en Brussel. De kinderloze Marcel van Massenhove (1903-1978), voorzitter en belangrijk aandeelhouder van Almanij, liet zijn fortuin na aan de KU Leuven en de UCL.

In vergelijking met de VS blijven de legaten aan Belgische universiteiten en musea relatief beperkt. De woordvoerster van de UCL geeft volmondig toe dat haar universiteit de voorbije jaren geen enkele belangrijke schenking of erfenis binnenhaalde. Terwijl Bill Gates eind oktober nog 20 miljoen dollar schonk aan Harvard University, zonder wrok omdat hij er zijn studie niet kon afwerken. Amerikanen zijn trots op hun Alma Mater en uiten dat ook financieel.

'Wij moeten veel actiever op zoek naar mecenaat', geeft Fabienne de Strijker van de dienst public relations van de Antwerpse Ufsia toe. Essentieel is de uitbouw van de alumniwerking. Sprekende voorbeelden zijn de universiteiten van Rotterdam en Edingburgh. In de Schotse universiteit is zelfs iemand voltijds actief met het verwerven van legaten, wat hem het koosnaamje Mister Death opleverde.

'Het is ook aangewezen systematisch notarissen te contacteren', vertelt Frie Dierickx Visschers van de Belgische Stichting Roeping. 'Notarissen zijn vaak bevoorrechte gesprekspartners van mensen rond hun geldzaken, zeker in hun laatste levensjaren. Een organisatie die goed bekend is bij de notaris, maakt een grotere kans op schenkingen.'

'Ons museum moet zelf naar de verzamelaars gaan', erkent Eliane de Wilde. 'Vandaar het grote belang van de vereniging De Vrienden van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Brussel. Naast de verzameling van financiële middelen door de Vrienden, valt het te hopen dat sommige leden ooit (een deel van) hun collectie schenken.'

Onder de Vrienden van het Museum treffen we onder meer de ondernemers(families) René Lamy (Generale Maatschappij), Christine Boël (Sofina), Claire De Pauw (bouwsector), Eric Janssen (UCB en Puilaetco), Walter vanden Avenne (gelijknamige veevoedergroep), Thierry Verougstraete (Aviabel), Dora Janssen (Janssen Pharmaceutica), Margueritte Lippens-Houtart (Fortis) en Philippe Saverys (CMB) aan.

Ook organisaties zoals het Rode Kruis, Artsen zonder Grenzen en Greenpeace halen relatief weinig inkomsten uit schenkingen. 'Sinds '87 verwierven wij voor circa 90 miljoen frank dank zij legaten', schat Bea van Hove, woordvoerster van het Rode Kruis Vlaanderen. Greenpeace ontving dit jaar amper 400.000 frank uit legaten, volgend jaar verwacht woordvoerder d'Ydewalle 2 miljoen.

Onder meer via netwerking met ondernemers tracht het Rode Kruis zijn inkomsten op te trekken. Voorzitter van het Rode Kruis Vlaanderen is Maurits Wollecamp (Paribas Bank België). 'Vijftien van de 47 leden uit onze gemeenschapsraad bekleden of hadden hogere functies in de Belgische economie', berekende Bea van Hove. Greenpeace houdt wat meer de boot af. Statutair mag het zelfs geen schenkingen ontvangen van ondernemingen, wel van ondernemers.

De vereniging de Vrienden van het Bordet Instituut zijn een voorbeeld van succesvolle fondsenwerving via netwerking. Vorig jaar wist zij 42 miljoen frank te verzamelen ter financiering van kankeronderzoek. In de raad van bestuur van de Vrienden van het Bordet Instituut treffen we onder meer Paul-Emmanuel Janssen (G-Bank), Jacques van der Schueren (Tractebel), François Narmon (Gemeentekrediet), Jean-Pierre de Launoit (Royale Belge) en Manfred Loeb (Tractebel) aan.

Ondernemers van goede wil: taat dus. En dat ligt toch niet enkel aan de tijd van het jaar.

Advertentie

Advertentie
× Sluiten