Advertentie
Advertentie

Ongrijpbaar

Met de verlammende gezelligheid van de feestdagen in zicht kende de traditioneel zwakke concertmaand december toch nog twee verrassende uitschieters. In Antwerpen zat de Blauwe Zaal van deSingel voor het gebruikelijke deelscherm - de symbolische jazzgrens - goed gevuld voor het ICP Orkest van pianist Misha Mengelberg en de zijnen. Zij speelden vooral composities van Misha zelf - van kunstmuziek tot meezingers - en ook een paar stukken van pianist Herbie Nichols, de lang vergeten auteur uit de jaren vijftig. Het werd een concert zonder verrassingen en precies daarom buitengewoon verrassend voor dit wonderlijke orkest, dat van de systematiek van de verrassing sinds ruim dertig jaar zijn handelsmerk heeft gemaakt. Mengelberg en de zijnen speelden ingetogen als een kamerensemble en vonden elkaar in een glanzende harmonie, die voortdurend werd gedragen door een nostalgische ondertoon. De legendarische burgerlijke ongehoorzaamheid van de internationale bende uit Amsterdam kwam nu eens niet tot uiting in grote gebaren en hilarische contrasten, maar in de subtiliteit van talloze details die net even anders waren dan wat ze horen te zijn. Soms was het ook gewoon mooi dat schijnt tegenwoordig ook te mogen van Mengelberg. Waar de banaliteit van de al te gemakkelijke schoonheid dreigde, brachten de finesses van de orkestrale kleuring en dynamiek de nodige spanning aan. Zelden hoorde ik individuele muzikanten in grotendeels geïmproviseerd samenspel zo virtuoos omspringen met de akoestiek van een zaal als Mengelberg, bassist Ernst Glerum, violiste Mary Oliver, trompettist Thomas Heberer, trombonist Wolter Wierbos, rietspelers Ab Baars en Michael Moore, en drummer Han Bennink, die zijn guerrilla-uitvallen in aantal beperkte en precies daarom qua effect maximaliseerde. Zo heb ik het onbegrijpelijk kleine aantal musici van dit grote orkest allemaal bij naam genoemd, zoals leider Mengelberg het noodzakelijk acht. Cellist Tristan Honsinger, geveld door een slechte rug, was er niet bij, wat misschien ook de betrekkelijke rust op het podium verklaarde.Heel anders ging het er aan toe in de onherbergzame buitenwijken van Antwerpen waar coming man Chris Potter in Luchtbal aantrad met zijn kwartet. Ook daar was de zaal fraai bezet, zeker voor een saxofonist die nog niet zo heel lang komt kijken en met zijn twee recentste albums voor het Verve-label niet helemaal kon overtuigen. Zijn faam heeft Potter vooral te danken aan prestaties als sideman bij trompettist Dave Douglas en, vooral, het kwintet en de big band van bassist Dave Holland. Potter verscheen op het podium alsof hij een eindexamen diende af te leggen. De combinatie van zijn overweldigende notendebiet en de helderheid en kleuring van elke individuele noot is in de jazz van vandaag wellicht ongeëvenaard. De verpletterende indruk die Potter daarmee maakt, ruimde bij deze toeschouwer echter geleidelijk de plaats voor een van bewondering doordrongen irritatie. In mijn verbeelding zag ik tot nu toe Potter in de voetsporen treden van Joe Lovano en diens warme mainstreamgeluid, nu nam hij meer de hanige gedaante aan van een mogelijke opvolger van Michael Brecker in de afdeling hightechspelers. Ondanks de aanwezigheid van het fantastische ritmeduo van bassist Scott Colley en drummer Bill Stewart - pianist Kevin Hays leekt iets minder geïnspireerd - blijft Potter voorlopig nog beter gedijen in het door een patron als Douglas of Holland uitgezette kader.Illustreert dit nu, zoals het in een laatste stukje voor het sluiten van de boeken zou horen, een of andere trend of tendens die het voorbije jaar typeert? Geen van beide concerten valt onder te brengen in een van de afdelingen waarin de jazzbusiness vandaag zo graag investeert. Enerzijds de nieuwe romantiek, van ingetogen pianotrios tot producties met strijkers en geflirt met semi-klassieke muziek. Anderzijds de wereld van de groove, de mix met funk, avant rock, elektronica, dance, acid. Het stelt gerust dat, zonder verklaarbare reden, zalen plotseling mooi vollopen voor muzikanten die zich weinig gelegen laten aan wat vandaag mag en niet mag. Dat een orkest als ICP het in dertig jaar en op zijn eigen condities van een verzameling parias heeft gebracht tot een internationaal gerespecteerd orkest. De jazz blijft ongrijpbaar. Ook dat is een trend. Rob LEURENTOP