Ook Foccroulle droomt van grote zaal in Brussel

Bernard Foccroulle (47) volgde in 1992 Gerard Mortier op als directeur van de Koninklijke Muntschouwburg. Ondanks de 300 miljoen frank schulden die hij erfde, is hij er toch in geslaagd om permanent een hoge artistieke kwaliteit te bieden, het aantal activiteiten te verhogen en een breder publiek te bereiken. Momenteel is Foccroulle midden in zijn tweede ambtstermijn van zes jaar en deze week werd bekendgemaakt dat hij opnieuw benoemd wordt voor de periode 2004 tot 2009. De Raad van Bestuur van de Koninklijke Muntschouwburg formuleerde een unaniem advies voor een verlenging van het mandaat, onder meer met het argument dat de Munt er onder leiding van Bernard Foccroulle in geslaagd is binnen haar budget voorstellingen te organiseren die ten zeerste werden gewaardeerd, zowel op het vlak van klassieke als van moderne opera. Foccroulle werd ook geprezen omdat hij ervoor zorgde dat de internationale uitstraling van de Munt, die tijdens het Mortiertijdperk opgebouwd werd, bevestigd werd met tal van internationale producties. Op de persconferentie blikte een erg opgetogen Bernard Foccroulle vooral vooruit. Hij wil de komende jaren nog meer ruimte scheppen voor creaties. Zo zal de Munt onder meer het operadebuut van Hugo Claus brengen. Claus schrijft een Franstalig libretto naar zijn toneelstuk Thyeste, dat door Jan van Vlijmen op muziek zal worden gezet. Foccroulle merkte ook op dat 40 procent van de programmas die sedert zijn aantreden werden geprogrammeerd, repertoire uit de 20ste eeuw bevatten. Foccroulle wil vier eeuwen operageschiedenis blijven brengen en hij wil de Munt zeker niet tot een stoffig museum laten verworden. Hij is ervan overtuigd dat opera een bloeiend genre kan blijven als het tenminste diverse artistieke disciplines blijft verenigen en als de grote operamachine zich aan de snel evoluerende maatschappij blijft aanpassen. In tegenstelling tot voorganger Gerard Mortier gelooft Foccroulle dus niet in de ondergang van de opera. Foccroulle drukt het zo uit: Door gebruik te maken van alle mogelijke multidisciplinaire middelen kan opera een nieuwe, onvoorspelbare, fascinerende fase binnentreden. Onze operahuizen moeten leven, zich vernieuwen en meer plaats maken niet alleen voor componisten en choreografen, maar voor creatieve geesten uit alle disciplines. Foccroulle verwees naar de manier waarop opera en dans elkaar in de Munt positief beïnvloeden. Dat leidde onder meer tot producties als LOrfeo van Monteverdi door Trisha Brown, La Calisto van Cavalli door Wernicke of Agrippina van Händel door David McVicar. In deze drie voorstellingen stond René Jacobs in voor de muzikale leiding. We moeten het repertoire op een creatieve manier herinterpreteren, zei Foccroulle nog, om de generaties van gisteren en morgen met elkaar te verbinden en om een levend beeld te schetsen van de wereld waarin we leven. Het feit dat bijna alle voorstellingen van de Munt uitverkocht zijn, beschouwt de Muntdirecteur als een negatief punt. Voorlopig wordt dat probleem gedeeltelijk opgelost door ook voorstellingen in het Koninklijk Circus of in de Hallen van Schaarbeek te brengen, maar Foccroulle droomt van een grote zaal in Brussel waar een derde van de dans- en operaproducties zouden kunnen spelen. Er moet een haalbaarheidsstudie komen om uitsluitsel te geven over de vestiging, de financiering en de werking van zon zaal. Afgelopen jaren realiseerde Foccroulle al de bouw van de Ateliers van de Munt, een gebouw vlak achter het operagebouw. Met deze investering van 650 miljoen werden alle diensten van de Nationale Opera verenigd. Het gebouw is bovendien een buitengewoon instrument om het publiek uit te breiden en het te betrekken bij het creatie- en repetitieproces, zei Foccroulle. Het is ook maar één van de manieren waarop de Munt aan de verbreding van zijn publiek blijft werken. Foccroulle wil trachten om de diverse deelpublieken van de Munt het abonnementspubliek, de jongeren, het danspubliek meer in elkaar te laten opgaan, en tegelijk wil hij ook een nieuw publiek aanboren. Dat kan door populaire werken te presenteren, maar dan op een creatieve manier die afwijkt van wat het commerciële circuit brengt. Volgend seizoen illustreert een Aïda-productie die aanpak. Bovendien wil Foccroulle af en toe ook evenementen organiseren. Volgend jaar zet hij een Festival op dat de diverse disciplines van de Munt aan een breed publiek voor zal stellen.Antonio Pappano begint over enkele maanden aan zijn laatste seizoen in de Munt. Hij zal medio 2002 door de Japanner Kazushi Ono opgevolgd worden. Het komt erop aan nu al de toekomst voor te bereiden, zodat we Kazushi Ono alle kansen kunnen bieden om in dezelfde richting verder te werken, zei Foccroulle. Antonio Pappano dirigeert tijdens zijn laatste seizoen nog drie nieuwe producties: La damnation de Faust van Berlioz, Rosenkavalier van Richard Strauss en Aida van Verdi in een regie van Bob Wilson. De samenwerking tussen de Vlaamse Opera en de Munt, die vorig jaar in Oedipus Rex al een aanvang kende, wordt volgend seizoen voortgezet in Moses und Aaron van Arnold Schönberg. TE