Advertentie
Advertentie

Op cd

Griselda ScarlattiRoschmann, Zazzo, Cangemi, Fink e.a.Akademie fur Alte Musik Berlin o.l.v. Rene JacobsHMC 901805.07 Alessandro Scarlatti's opera 'Griselda' beleefde in 1721 een eenmalige uitvoering in Rome. Rene Jacobs haalde het werk van onder het stof en bracht het drie jaar geleden in de Berlijnse opera Unter den Linden. Vorig jaar werd het ook op cd gezet. Het verhaal, dat teruggaat op Boccaccio's 'Decamerone', vertelt over Griselda die van eenvoudige komaf is en toch met koning Gualtiera kan huwen. Om het onbegrip van zijn entourage en zijn onderdanen weg te nemen, onderwerpt de koning zijn bruid aan afschuwelijke proeven, zodat Griselda haar trouw en standvastigheid kan bewijzen. Librettist Apostolo Zeno zorgde voor een happy end. Door de grote hoeveelheid aria's en uitgebreide recitatieven werd Scarlatti's 'Griselda' een drie uur durend vocaal festijn. Deze opera is niet meteen een hapklare brok voor een hedendaags publiek, maar Rene Jacobs geeft aan dit allegorische muziektheater de nodige dynamiek, frisheid en kracht. Daarvoor doet hij beroep op vertrouwde stemmen als Dorothea Roschmann als Griselda en Lawrence Zazzo als Gualtiero. Zij overtuigen declamatorisch en komen ook muzikaal en vocaal-technisch in de aria's goed uit de verf. De Akademie fur Alte Musik Berlin is een ensemble dat ook in een ondersteunende en dienende rol de nodige kleur en spankracht kan brengen. Dankzij de muzikale troeven van deze uitvoering, levert het eigenaardige verhaal over Griselda en Gualtiera toch een overtuigende muziekdramatische belevenis op. (TE) Quo Vadis George DysonBaker, Rigby, Langridge, WilliamsChamber Choir of the Royal Welsh College of Music and Drama, BBC National Chorus of Wales, BBC National Orchestra of Wales o.l.v. Richard HickoxChandos 10061(2) De Britse componist George Dyson (1883-1964) kwam uit een arm gezin, maar kon dankzij een beurs een opleiding genieten aan het destijds nieuwe Royal College of Music in Londen. Dyson groeide uit tot een gerespecteerd componist. Een van zijn meesterwerken is 'Quo Vadis', een uitgebreid werk uit 1947 voor sopraan, contralto, tenor en bas, koor en orkest. Dankzij een recente opname onder leiding van Richard Hickox komt het opnieuw onder de aandacht. Stilistisch sluit het aan bij de post-romantiek en bij de grote werken van Elgar en Vaughan Williams in het bijzonder. Zelfs de band met Mendelssohns koormuziek is nu en dan hoorbaar. Maar Dyson drukt ook een eigen stempel op het werk en zorgt voor veel afwisseling in de behandeling van koor, solisten en orkest, maar ook voor gevarieerde tekstszettingen en geraffineerde orkestraties. Hij schrijft uitstekend voor de stem en weet de grote middelen die hij geregeld inzet, altijd efficient te gebruiken in functie van de tekst. De Engelse dirigent Richard Hickox kan bogen op een uitgebreide ervaring met de Engelse koormuziek. Hij brengt met zijn ensembles en met zeer degelijke solisten een weelderige en integere uitvoering van dit werk. (TE) Starsailor 'Silence Is Easy'EMI 'Love Is Here', het twee jaar oude debuutalbum van Starsailor, ging een miljoen keer over de toonbank. De groep uit Lancashire opende voor R.E.M. en onlangs voor de Stones. 'Silence Is Sexy' moest het definitieve opstapje naar de premier league worden. Maar Chris Martin van Coldplay waarschuwde James Walsh, de wat tengere, maar bijzonder ambitieuze frontman van het kwartet, al voor de backlash. De Britse rockkritiek overschatte hun debuut een beetje en zou nu klaarstaan met munitie. Die kunnen ze best nog even op zak houden, want 'Silence Is Sexy' is een erg degelijke popplaat. Ze klinkt niet alleen spontaner, ze is ook smaakvoller gearrangeerd dan haar voorganger. 'Music Was Saved', een gedreven binnen-zonder-kloppen-popsong, die de aandacht afleidt van het soms wat enerverende stemgeluid van de zanger, steekt verrassend monter van wal. Het hype-evenement van de plaat, de aanwezigheid van de legendarische producer Phil Spector, wordt op die manier naar de achtergrond verschoven. Het resultaat van die samenwerkingspoging bevestigt vooral het feit dat het al van 1980 geleden was dat de architect van de wall of sound nog in een studio gesignaleerd was, de weelderige strijkers en echo's ten spijt. Wel goed zijn het optimistische 'Bring My Love', dat een Ierse stempel draagt, en het op een florissante discobeat steunende 'Four To The Floor'. Maar Walsh klinkt het interessantst op het door John Leckie (zie ook Radioheads 'The Bends') geproducete 'Shark Food', zonder meer de donkerste track van de plaat. Hij laat telkens dezelfde zanglijnen als een mantra terugkeren en wijkt voor een keer af van het leidmotief van de plaat. Dat wordt op 'Some Of Us' trouwens bondig samengevat: 'Some of us laugh / Some of us cry / Some of us smoke / Some of us lie / But it's all just a way that we cope with our life'. Uit de mond van uw buurman zou het pathetisch klinken, maar de frele Walsh zingt het zo overtuigend dat je geneigd bent hem op zijn woord te geloven. (TPe) David Bowie 'Reality'ISO/Columbia/Sony Er is het voorbije jaar niet zoveel veranderd in het leven van muzikant, huisvader en innovator David Bowie. 'Heathen' verscheen ruim twaalf maanden geleden met dezelfde begeleidingsband als het nieuwe 'Reality'. Zelfs producer Tony Visconti is opnieuw van de partij. En toch is 'Reality', het 26ste studioalbum uit de carriere van de Thin White Duke, een significant andere plaat geworden dan haar voorganger. Bowie had misschien al definitief gebroken met zijn verleden als kameleon, nooit legde hij er zo hard de nadruk op in de werkelijkheid te willen leven. Niet dat de behandelde thema's plots veranderen. Opener 'New Killer Star', de geheide single die met zijn dwingende beat en rafelige gitaarstructuur een beetje boven de rest van de plaat steekt, gaat over vervreemding. Bowie zingt er ook merkelijk beter op dan op zijn jongste tournee, toen hij de noten die nodig waren om zijn beste werk uit de jaren zeventig te zingen niet kon aanhouden. De wat logge interpretatie van George Harrisons 'Try Some, Buy Some' is minder relevant dan de stevige, groovy versie van Jonathan Richmans 'Pablo Picasso'. Het ritme ligt ook op de rest van 'Reality' opvallend hoger dan op het wat lome, meer introspectieve 'Heathen'. Al neemt de zanger duidelijk gas terug voor het ingetogen, wat zonderlinge 'The Loneliest Guy' en het door jazzy piano en drums geflankeerde 'Bring Me the Disco King'. Onafgezien daarvan is 'Reality' een opgetogen, occasioneel zelfs triomfantelijk album, dat een goed ingespeelde band het vertrouwen moet geven om in november in het Antwerpse Sportpaleis Bowie's recente, erg teleurstellende doortocht in Oostende naar de vergetelheid te verwijzen. (TPe) Elvis Costello 'North'Deutsche Grammophon/Universal Wie de carriere van de Britse zanger-componist Elvis Costello van nabij volgt, kon voorzien dat er na het snelle rockalbum 'When I Was Cruel' een tegenreactie zou komen. Dat die zo snel leidt tot het tergend trage 'North', een elfdelige liedjescyclus over een oude en een nieuwe liefde, is voor de fan van het ruwere Attractions-materiaal een harde noot om kraken. Maar als goede verstaander was hij gewaarschuwd. Pianoballades zijn in de loopbaan van Costello altijd een constante geweest, alleen waren ze zelden zo sober omlijst en spaarzaam gearrangeerd. Gelukkig heeft de zanger zijn in oorsprong beperkte stemgeluid tijdens zijn loopbaan voortdurend bijgeschaafd, zodat hij op zijn 49ste een beroep kan doen op een secure bariton, die de melancholische zeggingskracht van zijn composities sporadisch kracht bijzet. Stilistisch en thematisch heeft 'North' de meeste raakvlakken met 'The Juliet Letters', een plaat die hij in 1993 uitbracht samen met het strijkensemble Brodsky Quartet, dat hier ook op een track te horen is. Een decennium geleden deed Costello een fictief liefdesverhaal uit de doeken. Op 'North' vertelt hij het soms pijnlijke relaas van de echtscheiding met de vrouw waarmee hij zestien jaar getrouwd was en tal van songs samen schreef. Liep het sprookje van Romeo en Juliet nog tragisch af, dan is Costello vandaag veel beter af: hij bevindt zich in de armen van jazzzangeres Diana Krall. Dat neemt echter niet weg dat de zanger met mededogen terugblikt op wie achterblijft. En alhoewel 'some things are too personel, too intimate to spill', is 'Let Me Tell You About Her' een schuchtere poging van een verliefde man op middelbare leeftijd om zijn geluk te bezingen. Al twijfelt hij nog tussen gevoelens van schaamte en extase. Pas op de laatste track 'I'm In The Mood Again' lijkt Costello zeker van zijn stuk. Slechts geruggensteund door de vibrafoon van Bill Ware plaatst hij een erg hoopvol slotakkoord. Het verlies is doorgeslikt. Rest ons nog een pluim te steken op de hoed van Lee Konitz (voor zijn heerlijke saxsolo in 'Someone Took the Words Away'), de alomtegenwoordige Steve Nieve (die enkel een stapje opzijzet wanneer Costello zelf aan de piano plaatsneemt) en het Brodsky Quartet (dat op 'Still' indruk maakt). (TPe) Mary J. Blige 'Love & Life'Geffen / Universal De muziek van Mary J. Blige mag dan al gedrenkt zijn in blues en soul, haar hart klopt nog steeds voor frisse hiphop waarin r&b-invloeden verwerkt zitten. Na 12 jaar, vijf studioalbums en een live-cd heeft ze haar schaapjes op het droge. Maar wie haar live heeft gezien, weet dat er een vrouw met passie aan het werk is. Voor 'Love & Life' schreef ze 17 van de 18 tracks en ging opnieuw in zee met superproducer Sean 'P. Diddy' Combs, de man die haar transformeerde tot hiphopkoningin. Tekstueel wil ze voornamelijk haar spirituele vooruitgang beklemtonen en kijkt ze vaak terug naar haar kindertijd in de achterbuurten van New York. Naar goede gewoonte zijn er ook in deze 'Love & Life' tonnen productionele snufjes gestoken. Een strengere selectie van de songs had een meer coherent album afgeleverd. Bijna 80 minuten is te veel van het goede en je mist bij momenten de funky kracht van 'Ooh', het naar Marvin Gayes 'Inner City Blues' verwijzende 'Free' of de uitstekende single 'Love a 1st Sight' met vriendje Method Man als rapper van dienst. Gastbijdragen van Jay-Z, Eve en 50 Cent zorgen voor een gesmaakte afwisseling. Gevoelige zielen kunnen zich verliezen in de mooie ballad 'Special Part Of Me' terwijl het naar gospel knipogende 'Ultimate Relationship' voor welgekomen geluidswarmte zorgt. 'Love & Life' is volstrekt onschadelijk geluidsvoer dat zich iets te nadrukkelijk op de gladde Amerikaanse muziekmarkt richt. (DF) Warren Zevon 'The Wind'Artemis/Zomba Distribution Nadat de dokters terminale longkanker bij hem hadden vastgesteld, heeft Warren Zevon nog een vol jaar respijt gehad. Dat was een dikke negen maanden meer dan voorspeld en net genoeg om grootvader te worden en zijn ultieme plaat op te nemen. De Amerikaanse release daarvan, eind augustus, maakte hij nog mee. De Europese, halfweg september, niet meer. Warren Zevon overleed vorige week maandag op 56-jarige leeftijd. 'The Wind' mag dan zijn muzikale testament zijn, de teneur verschilt niet zo van zijn andere albums. De toon blijft cynisch. De klank gammel en grofkorrelig, maar steevast authentiek. De teksten zijn soms gelardeerd met absurde humor, dan weer rotsentimenteel. De sfeer, ondanks het naderende einde, opvallend gemoedelijk. De dood - of beter: de absurditeit van het leven - was altijd al een thema in Zevons muziek, maar met dat levenseinde openlijk in het vizier, krijgen zijn liedjes wel een heel onmiddellijke en aangrijpende betekenis. Hij zingt een pakkende versie van Dylans 'Knockin' On Heaven's Door', maar tegelijkertijd beseft hij dat hij de duivel meermaals getard heeft. Ook de talrijke genodigden musiceren met passie en respect. Ze maken er alleszins geen rouwstoet van. In een smachtend 'Please Stay' krijgt een melancholische Zevon het gezelschap van Emmylou Harris, en ook Springsteen, Petty en Jackson Browne zijn van de partij. Die laatste producete in 1970 Zevons debuutalbum 'Wanted Dead or Alive'. De cirkel wordt op 'The Wind' rondgemaakt: van de country-getinte opener 'Dirty Life and Times' (Don Henley op drums! Ry Cooder op gitaar! Billy Bob Thornton en Dwight Yoakam in het koortje!) tot de ontroerende ballade 'Keep Me In Your Heart', het definitieve slotakkoord van Zevons carriere. 'Shadows are falling and I'm running out of breath', geeft de zanger ons nog mee. Maar ook al heeft hij nu zijn laatste levensadem uitgeblazen, 'The Wind' zal zijn rijke, eigengereide erfenis blijven verspreiden over de volgende generaties. (TPe) Anne Laplantine 'Hamburg'Tomlab/ Aim Distribution De jonge Parijse muzikante Anne Laplantine behoort tot de voorhoede van de internationale slaapkamerartiesten. Met uiterst eenvoudige middelen - onder meer een afgedankte Casio, een laptop, een sampler en een gitaar - verwerkt ze haar belevenissen in universele, vrij naieve songs. Die voorziet ze van rudimentaire teksten - repetitief gezongen zinnen die enkel het strikt noodzakelijke communiceren en een grote inbreng van de luisteraar vergen. De laatste jaren bracht Laplantine - van opleiding beeldend kunstenares en nog steeds actief als pianiste met een klassiek repertoire - een reeks van betoverende albums uit waaronder 'Alison' (Alice in Wonder, 2000) en 'Nordheim' (Gooom Disques, 2001). De grote kracht van die platen ligt in de ogenschijnlijke lichtheid. Laplantine werkt vanuit het barokke naar het minimale: haar compositietechniek is er een van schrappen en herleiden. Daardoor weet ze in een eenvoudige vorm uiteenlopende emoties op te roepen en botsende lagen aan te boren. Die simpelheid viert hoogtij op 'Hamburg', Laplantines nieuwe album dat op drie singles in een kanariegele box werd uitgegeven. In de achttien titelloze, instrumentale nummers domineert de akoestische gitaar. Met behulp van elektronica onderwerpt de Francaise het instrument aan subtiele ingrepen. Dat is een breuk met haar voorgaande werk dat in de elektropophoek te plaatsen was. Haast onopvallend muteert Laplantine enkelvoudige gitaarmelodietjes tot een samenspel, tussen de aanslagen door klinken piepkleine blokjes ruis en gesamplede accenten van andere instrumenten zoals de xylofoon. De noten haperen, stotteren en struikelen over zichzelf, maar de melodieen trippelen ongestoord voort naar het einde van de nummers. Het erg fragiele 'Hamburg' streeft naar harmonie, maar schuwt de dissonantie niet: andermaal een betoverend resultaat waar achter een opgewekte zuiverheid een donkere zijde schuil gaat. (IS) Fred Wesley 'Wuda Cuda Shuda' HipBop / Culture Records Trombonist Fred Wesley maakte samen met saxofonisten Pee Wee Ellis en Maceo Parker deel uit van de legendarische JBs, het trio dat live-concerten van James Brown van 'horny horns' voorzag. Wesley heeft er echter altijd voor gezorgd om zijn muzikale opties open te houden. Diep vanbinnen is hij een jazzcat, maar hij heeft zijn funkduivels nooit onder de knoet gehouden. Onder meer George Clinton, Count Basie, Lionel Hampton, De La Soul en Ray Charles deden een beroep op hem. Na een relatieve stilte, waarin hij zich vooral als journalist profileerde en zijn autobiografie 'Hit Me Fred' schreef, is 'Wuda Cuda Shuda' zijn eerste release op zijn eigen Hip Bop-label. 'Wuda Cuda Shuda', dat opgenomen is in een buitenwijk van Parijs, laat zich smaken als een collectie songs waarin funk en jazz afwisselen en de groove als bindmiddel wordt gebruikt. Zeker 'Getcha Money Ready', 'Geek Goom', 'The Ballad of Beulah Baptist' (een model op de cover van een glossy magazine, maar Wesley valt naar eigen zeggen vooral voor de funky klinkende naam) of de titelsong drijven op hitsige blazers die handig ingepakt worden in fraaie arrangementen. Op 'Ernie's Bag' koppelt Wesley een doedelzak aan een jazzbluesschema. Experimenteerdrang is nooit te versmaden, maar de doedelzak klinkt hier als een tang op een varken. Gelukkig is dit een uitzondering: dit is een zeer coherent klinkende cd waarin Wesley zich als een veelzijdig muzikant profileert. (DF) Samenstelling: Tom EELEN, Dirk FRYNS, Tom PEETERS, Ive STEVENHEYDENS.