Advertentie
Advertentie

Op zoek naar de heilige graal van de intergewestelijke arbeidsmobiliteit

Eén vorm van arbeidsmobiliteit is de intergewestelijke migratie. Een recente studie van het NIS werpt hier licht op. Van de 900.000 verhuisbewegingen in 1995 (het jongst beschikbare jaar) in België zijn er slechts zon 65.000 (7 procent) intergewestelijk. De meeste migraties betreft verplaatsingen over korte afstanden. Meer dan 50 procent van de veranderingen van verblijfsplaats vinden plaats binnen dezelfde gemeente. Het mobiliteitspeil is de jongste 40 jaar gedaald. Er wordt niet alleen minder vaak, maar ook almaar minder ver gemigreerd dan vroeger.De migratiebewegingen tussen Vlaanderen en Wallonië vertegenwoordigen in 1995 maar 20 procent van alle intergewestelijke migratiebewegingen: namelijk minder dan 7.000 van Vlaanderen naar Wallonië en minder dan 6.000 van Wallonië naar Vlaanderen.De intensiteit van die migraties is sedert 1954 sterk gedaald, wat wijst op een toenemende ondoordringbaarheid van de taalgrens. In de jaren vijftig waren er ongeveer 20.000 migraties waarbij de grens tussen Vlaanderen en Wallonië werd overschreden, tegenover 13.000 in 1995. Net zoals de afstand betekent de taalgrens een rem op de mobiliteit. Afgezien van de migratiestromen tussen de arrondissementen Nijvel en Leuven en tussen Moeskroen en Kortrijk zijn er niet veel migraties tussen Vlaamse en Waalse arrondissementen.Tot het begin van de jaren zestig schommelde het aantal migraties vanuit Wallonië naar Vlaanderen tussen de 9.000 en de 10.000. Daarna daalde het aantal met bijna 50 procent tot het begin van de jaren tachtig. De Vlaamse migratie naar Wallonië is met ruim 40 procent gedaald. Sedert 1983 zijn de migraties tussen Vlaanderen en Wallonië op een relatief constant peil gebleven, dat veel lager ligt dan het peil van vlak na de Tweede Wereldoorlog.Behalve voor de periode 1964-1969 (verhuizing van Franstalige Leuvense universiteit) was het migratiesaldo steeds in het voordeel van Wallonië. Sedert 1982 bedraagt het jaarlijkse overschot ongeveer 1.100 personen.De intergewestelijke migratiebewegingen vanuit en naar Brussel zijn groter dan die tussen Vlaanderen en Wallonië. Behalve de emigratie uit Brussel naar Wallonië liggen de verhuizingen thans aanzienlijk lager dan tot het midden van de jaren zestig. Sedert 1964 gaan er zich minder mensen vestigen, dan er uit Brussel wegtrekken. Dit migratiesaldo is sedert begin van de jaren negentig minder negatief geworden. De Brusselse uittocht kwam vooral Waals- en Vlaams-Brabant ten goede.Binnen België bestaan er aanzienlijke pendelstromen tussen Vlaanderen en Wallonië enerzijds en Brussel anderzijds. Het forenzenverkeer van Wallonië naar Vlaanderen (en omgekeerd) is in de jaren negentig toegenomen, maar blijft beperkt. Tegenover de 36.000 Walen die in Vlaanderen werken, staan 23.000 Vlamingen die in Wallonië werken. De Waalse pendel naar Vlaanderen is vooral gericht op Vlaams-Brabant. Opmerkelijk is dat de pendel van Wallonië naar de aangrenzende provincies Limburg, West - en Oost-Vlaanderen klein is. Het aantal Vlaamse pendelaars naar de provincies Luik en Henegouwen is zelfs groter dan het aantal Waalse pendelaars naar de provincies Limburg, West- en Oost-Vlaanderen.Opvallend is dat zowel voor Vlaanderen als Wallonië geldt dat er meer pendel is naar het buitenland dan naar het andere gewest. Er zijn bij de VDAB meer buitenlanders ingeschreven als werkzoekenden in Vlaanderen dan Walen. Eind oktober 2001 waren er 521 werkzoekenden die in het buitenland wonen, ingeschreven bij de VDAB. Op hetzelfde tijdstip waren slechts 360 werkzoekenden uit Wallonië ingeschreven bij de VDAB. Dit zijn verwaarloosbare cijfers. Keer op keer stellen internationale organisaties (en anderen) bij doorlichtingen van de Belgische economie de grote verschillen qua economie en arbeidsmarkt tussen het noorden en het zuiden vast. Traditiegetrouw halen ze een pleidooi voor een grotere arbeidsmobiliteit van het schap. Toen halverwege 2000 in Vlaanderen steeds meer stemmen opgingen voor een verhoogde immigratie, hield ik een pleidooi voor een grotere intergewestelijke arbeidsmobiliteit. Er blijkt echter een groot verschil te bestaan tussen wensen en realiteit. De arbeidsmobiliteit van Wallonië naar Vlaanderen is beperkt en vertoont geen duidelijk tendens tot toename. Als we rekening houden met de (kleine) mobiliteit van Vlaanderen naar Wallonië, dan blijkt dat de nettostroom bijna te verwaarlozen is.De geringe regionale arbeidsmobiliteit en de geringe gevoeligheid van migratiestromen voor regionale werkloosheidsverschillen zijn terug te voeren op een aanzienlijke taaldrempel, hoge mobiliteitskosten en geringe arbeidsmarktprikkels. Dit zal morgen niet plots anders zijn. Laten we stoppen met mekaar iets wijs te maken. Arbeidsmobiliteit van Wallonië naar Vlaanderen die een veelvoud is van de huidige, is geen realistische optie. De oplossing voor de Waalse problemen zal dus elders moeten worden gezocht. JOHAN SAUWENS De auteur is Vlaams parlementslid (CD&V)