Open brief aan de erkenningscommissie voor beroepsjournalisten

De Vlaamse zelfstandige journalisten nemen het niet dat de erkenningscommissie, die oordeelt over de toekenning van de titel van beroepsjournalist, hen veel strenger behandelt dan hun loontrekkende collega's, een vaststelling die symptomatisch is voor de marginale positie van de zelfstandige journalist in de mediawereld. De al jaren aanslepende kritiek op de erkenningscommissie is weer actueel omdat ze een tijd terug de procedure gestart is voor de hernieuwing van alle persdocumenten voor de periode 2002-2006. Onnoemelijk veel zelfstandigen hebben ook dit keer bij de Vereniging der Vlaamse Beroepsjournalisten (VVJ) kritiek laten horen op de wijze waarop de erkenningscommissie te werk gaat.Volgens de wet van 30/12/63 kan iemand slechts erkend worden als beroepsjournalist als hij of zij minstens 21 is, beschikt over zijn politieke rechten en - nu wordt het relevant voor ons verhaal - in zijn hoofdberoep en tegen bezoldiging deelneemt aan de redactie van dag- of periodieke bladen, radio- of televisieuitzendingen, filmjournaals of persagentschappen, een en ander voor algemene berichtgeving, deze werkzaamheid tenminste twee jaar lang als gewoon beroep uitgeoefend heeft en ze niet meer dan twee jaar gestaakt heeft, geen enkele vorm van handel drijft en met name geen op reclame gerichte werkzaamheid uitoefent behalve als directeur van een blad, nieuwsuitzending, een filmjournaal of een persagentschap. Eerste punt van kritiek betreft de vele documenten die de commissie van zelfstandigen vraagt. Afgezien van de enorme papierberg - voor sommigen gaat het om meer dan 500 documenten - rijst de vraag of het om reden van privacy wel door de beugel kan dat men zijn volledige boekhouding op tafel moet leggen. Ergerlijk is de vaststelling dat voor loontrekkenden een eigen verklaring en een van de werkgever volstaat. Waar de commissie dus tot in het uiterste detail wil nagaan of de zelfstandige beantwoordt aan de wettelijke voorschriften, geldt die stringente controle niet voor de loontrekkenden. In de erkenningscommissie hebben zowel uitgevers als journalisten uit diverse redacties zitting. Die kunnen in de dossiers meteen aflezen aan wie de kandidaat-journalist zijn diensten aanbiedt. Wie kan in deze steeds hardere concurrentiewereld tussen media garanderen dat de zelfstandige geen hinder zal ondervinden van het feit dat de directeur van X in die commissie plots ontdekt dat de betrokkene ook werkt voor concurrent Y. Het is ook mogelijk dat een lid van de erkenningscommissie beroepshalve een rechtstreekse concurrent is van wie hij moet beoordelen, in andere gevallen is hij zijn broodheer. Gevreesd mag worden dat de objectiviteit van de betrokkene in dat geval niet gegarandeerd is. Enkele journalisten weigeren trouwens pertinent facturen te tonen omdat ze vrezen dat een directe concurrent als lid van de commissie misbruik zou maken van wat in feite vertrouwelijke bedrijfsinformatie is. Gevraagd wordt dat het commissielid zich in dat geval ofwel vrijwillig terugtrekt of dat de commissie de aanvragers van de persdocumenten de kans geeft de betrokkene te wraken. Ergelijk is ook het feit dat de commissie pertinent weigert te antwoorden op vragen hoe zij de wet interpreteert, meer bepaald de noties handel drijven of algemene berichtgeving, en vanaf welke inkomsten men aanvaardt dat de betrokkene het als een gewoon beroep uitoefent. Het bedrag dat de commissie als minimuminkomsten hanteert, is ongetwijfeld het best bewaarde geheim in de wereld van de media.Heel wat zelfstandige journalisten worden overigens zwaar onderbetaald. Kan men het hen in die situatie ten kwade duiden dat ze naast hun journalistieke activiteiten in de klassieke media bijvoorbeeld meewerken aan een rapport van de Koning Boudewijnstichting of aan de nieuwsbrief van een onderwijsinstelling, feiten waar de commissie luidens de getuigenis van een zelfstandige over valt. Handelen de loontrekkenden die na hun uren media-advies geven aan BV's, gastcolleges geven voor commerciële instellingen of als beursexpert bijverdienen dan wel conform de wet? Maar dit wordt zoals gezegd niet eens gecontroleerd.De wet verbiedt vormen van handel drijven en met name geen op reclame gerichte werkzaamheid. Als we de wet in beperkte zin interpreteren, zijn dus enkel pure reclame-activiteiten verboden.Zijn uitgevers die hun zelfstandigen onderbetalen, overigens wel goed geplaatst om hun de erkenning te weigeren wegens te lage inkomsten? Een ander heikel punt is de voorbijgestreefde wettelijke opdeling tussen de algemene en gespecialiseerde berichtgeving. Enkel wie algemene berichtgeving verspreidt, kan thans in aanmerking komen voor de wettelijke titel van beroepsjournalist.Naast de vaststelling dat de erkenningscommissie de actuele wetgeving bijzonder streng interpreteert als het om zelfstandigen gaat, slaat de kern van de onvrede natuurlijk op de verouderde wetgeving die dringend dient aangepast.De essentiële voorwaarde voor de erkenning als journalist moet zijn dat de betrokkene zijn beroep onafhankelijk, autonoom en ongebonden uitoefent en hierbij elke schijn van partijdigheid weert. De wet moet terzake het algemene principe voorschrijven en dit verder concretiseren in een deontologische code, een soort Eed van Hippocrates die kandidaatjournalisten moeten ondertekenen. De commissie, of de aankomende Raad voor de Journalistiek, dient terzake de controles uit te voeren en op te treden.Het zo gewraakte handeldrijven zal daarbij alleen niet meer kunnen als dit de onafhankelijkheid van de journalist in het gedrang brengt. Er zijn overigens nog honderden andere manieren denkbaar die deze onafhankelijkheid in het gedrang kunnen brengen en nu buiten schot blijven.De vereiste termijn van twee jaar beroepsuitoefening kan behouden blijven, maar voor de inkomsten moet het bestaansminimum als ondergrens gehanteerd worden. De onzin over algemene en gespecialiseerde berichtgeving dient geschrapt. Luc VANHEERENTALS, voorzitter werkgroep zelfstandigen van de Vereniging Vlaamse Beroepsjournalisten