Over zachte doelwitten en harde mannen

Er is iets fascinerends aan het militaire taalgebruik. Militairen vinden telkens opnieuw nieuwe begrippen uit die vooral een harde werkelijkheid moeten verhullen. Het militaire modewoord van deze week luidt 'zacht doelwit'. Een zacht doelwit is een doelwit dat niet militair wordt bewaakt. Een zacht doelwit is dus pakweg het Marriott Hotel in Jakarta of de Jordaanse ambassade in Bagdad. Zachte doelwitten zijn dus erg in dezer dagen. Een zacht doelwit is blijkbaar ieder doelwit dat het reguliere leger niet aanvalt. Dan hebben we het over hotels, ambassades maar ook burgervliegtuigen. De dreiging van het terrorisme drijft de militairen tot wanhoop. Er is immers geen slagveld, geen duidelijke vijand of geen afgebakend gebied. Je kan je afvragen of in dezelfde logica zoiets bestaat als een hard doelwit. En wat dat moge zijn. Een wapenhandelaar met een volle koffer op de markt op Tikrit. Is dat een hard doelwit en rechtvaardigt dat dan de dood van omstanders, onder wie een kind? En is het gebruik van napalm gerechtvaardigd als de Amerikaanse troepen zich een weg moeten banen door de woestijn? De logica die de militairen volgen, is in ieder geval een harde logica die niet past bij zachte doelwitten. De vraag bij de aanslagen in Jakarta en in Bagdad is of men moet leren leven op het ritme van islamitische aanslagen. Sinds de aanslagen van 11 september 2001 in de VS zijn al verschillende zware aanslagen gepleegd, voornamelijk in Afrika en Azie waar de controle en de veiligheidsmaatregelen duidelijk minder streng zijn dan in de westerse wereld. Volgens de Indonesische politie is de aanslag in Jakarta het werk van Jemaah Islamiyah, een schimmige terreurorganisatie in Indonesie. Dezelfde organisatie heeft ook de aanslag in Bali op haar geweten. Een rechtbank veroordeelde Amrozi bin Nurhasyim ter dood wegens zijn aandeel in de aanslag. De lachende bommenlegger bleef zichzelf: hij juichte omdat hij als martelaar kan sterven en zo het voorbeeld kan stellen voor zijn volgelingen. Onmacht De aanslag in Jakarta maakt duidelijk dat het voorkomen van aanslagen niet zo eenvoudig is. De Indonesische regering wist dat er een aanslag zat aan te komen, maar kon toch niet verhinderen dat het luxehotel de lucht invloog. Het was een pijnlijke bekentenis van onmacht, zelfs al is het hoofd van de dader gevonden en is de band met Jemaah Islamiyah formeel vastgelegd. Naast de doden en de gewonden is vooral Indonesie het grote slachtoffer, met wegblijvende toeristen en zakenmensen en een verhoogd gevoel van onveiligheid. De aanslag op de Jordaanse ambassade in Bagdad laat hetzelfde vreemde gevoel achter. Nogal wat Amerikaanse publicaties leggen de link met de islamitische groep Ansar al Islam, maar dat is verre van zeker. Wel lijkt iedereen ervan overtuigd dat het opblazen van de ambassade van een ander kaliber is dan het beschieten van Amerikaanse patrouilles. Ook hier toont het uitpikken van een zacht doelwit aan dat de vijandelijkheden niet ophouden aan de frontlinie maar dat de terreur op ieder moment en op elke plek kan toeslaan. Zelfs in een land waar iedereen tot de tanden gewapend rondloopt. De vrees dat binnenkort nog meer zachte doelwitten aan de beurt zijn, zit diep. In de Verenigde Staten staan de zenuwen al een tijdje gespannen. Het visabeleid is maximaal verstrakt. De vrees leeft kennelijk dat men met een lichte raket een vliegtuig uit de lucht schiet. Is het niet in de VS zelf, dan wel nabij een luchthaven waar veel Amerikaanse vliegtuigen landen. Om dat te voorkomen hebben de VS veiligheidsspecialisten uitgestuurd om de veiligheid van de luchthavens te onderzoeken. Die onderzoeken lopen in Basra en Bagdad, maar ook op minder exotische plekken als Istanbul, Athene en andere Manila's. Het trauma van 11 september en het gebruik van burgertoestellen als terroristisch wapen zit diep. Illegaal wapentuig Blijkbaar is er wereldwijd een voldoende groot aanbod van illegaal wapentuig om de kandidaat-terroristen te bewapenen. En dat wapentuig kan dan gebruikt worden tegen de zachte doelwitten. In ieder geval heeft het Amerikaanse ministerie van Binnenlandse Veiligheid een speciaal team opgezet dat moet onderzoeken in welke mate een raketaanval op een vliegtuig mogelijk is. Een speciaal budget van 2 miljoen dollar is vrijgemaakt om dat onderzoek te financieren. Er zijn rapporten waarin staat dat Al Qaeda, de terreurorganisatie van Osama bin Laden, over meer dan een dozijn lichte raketten beschikt, ook van Amerikaanse makelij. Daarom ontwikkelen de Verenigde Staten een elektronisch afweersysteem tegen raketten voor burgertoestellen. Het beveiligen van het presidentiele Air Force One is overigens een prioriteit. De strijd tegen de terreur zit in het slop. Vooral omdat het veel moeilijker is om netwerken op te rollen dan een land aan te vallen. Een militaire overwinning garandeert geen vrede of rust, integendeel. Het nodigt alleen uit nog meer zachte doelwitten op te zoeken. Het is wellicht dat wat de militairen verontrust en waar de politici om balen. De retoriek van de strijd tegen het terrorisme wordt op het terrein telkens opnieuw verslagen. Het uitroeien van dit soort terreur lijkt een werk van heel lange adem. En met nog veel zachte doelwitten in het verschiet.