Parijs: Lafarge

De Franse aandelen balanceerden de hele week tussen winst en verlies. Er rezen immers twijfels over het verwachte economische herstel in de VS. Een hele rist conjunctuurindicatoren zorgde niet meteen voor veel duidelijkheid. Zo steeg de werkloosheid naar 6,4 procent, hoger dan verwacht. De ISM-indicator voor de verwerkende industrie klom lichtjes hoger maar kon het verwachte niveau niet bereiken. De Michigan Confidence-indicator kon wel weer een sterke stijging zien, terwijl de ISM-indicator voor de dienstensector zich boven het niveau van 60 hees. Daardoor ging een groot deel van de winst van de euro weer verloren. Die was gestegen tot een niveau van 1,16 dollar, maar vlagde toch onder 1,15 dollar af. De rente steeg weer naar een niveau van 4 procent. De autobouwers profiteren van het ongeschonden vertrouwen in een Amerikaans conjunctuurherstel. Goldman Sachs verhoogde bovendien het advies voor de sector. Peugeot klom een halve procent. Renault ging bijna 6 procent hoger. De Japanse dochter Nissan zag immers de verkoop in de VS in de maand juni met 22 procent stijgen. Lafarge kon met succes de kapitaalsverhoging door de uitgifte van nieuwe aandelen afronden. HSBC gunde het aandeel een koopadvies, wat de koers 7 procent hoger dreef. Minder goed verging het Pinault-Printemps. De kleinhandelsdivisie zag de omzet over het eerste halfjaar niet stijgen. Daardoor zakte het aandeel bijna 4 procent lager. Total verloor bijna 2,5 procent. Beleggers verkochten in heel Europa hun olieaandelen om ze te vervangen door conjunctuurgevoeligere aandelen. Thomson liet weten voor verschillende miljoenen euro's bestellingen te hebben binnengekregen. Het aandeel sloot 2 procent hoger. Toch moest de CAC40-index een klein verlies incasseren.