Advertentie
Advertentie

Pieter Wispelwey

Pieter Wispelwey Werk van Sjostakovitsj, Prokofjev en Britten Pieter Wispelwey (cello), Dejan Lazic (piano) Channel Classics SA 20003 De Nederlandse cellist Pieter Wispelwey is tot een internationaal gerespecteerde musicus uitgegroeid die met vooraanstaande orkesten en dirigenten samenwerkt. Zijn passie voor kamermuziek drijft hem vaak naar het intiemere repertoire van de barok tot vandaag. In de pianist Dejan Lazic heeft hij een inspirerende kamermuziekpartner gevonden. Samen brengen ze in een nieuwe opname drie standaardwerken voor cello en piano. De 'sonate in C' (opus 119) componeerde Sergej Prokofjev voor de beroemde Russische cellist Mstslav Rostropovitsj. Het werk is lyrisch romantisch van toon en Pieter Wispelwey en Dejan Lazic halen in hun vertolking een rijke variatie aan beelden, kleuren en stemmingen uit deze partituur. De 'Sonate voor cello en piano in C' (opus 65) die Benjamin Britten, eveneens voor Rostropovitsj, componeerde, lijkt met haar vijf delen veeleer op een suite dan op een sonate. Wispelwey en Lazic creeren een mysterieuze sfeer in hun vertolking van dit werk en ze overtuigen zowel in de ingetogen passages als in de muzikale explosies. Beide uitvoerders pinnen zich bovendien niet vast op Rostropovitsj' vertolkingen, maar ze benaderen die partituren vanuit een persoonlijke invalshoek. Precies samenspel, respect voor de partituur en enthousiast musiceren staan telkens centraal. Ook in de vertolking van de 'Sonate voor cello en piano in d' (opus 40), een werk waarin Dimitri Sjostakovitsj zijn experimentele kant wat onderdrukt om tot een optimistische sonate te komen, is dat niet anders. Onder meer in de finale, waarin Sjostakovitsj' vertrouwde ironie en spot weer opduiken en waarin hij zich door jazzmuziek liet inspireren, imponeren Wispelwey en Lazic met een fantasierijke interpretatie. (TE) Giulio Cesare Handel Mijanovic, Kozena, von Otter, Hellekant, e.a. Les Musiciens du Louvre o.l.v. Marc Minkowski Archiv 474 210-2 Marc Minkowski toonde zich afgelopen jaren een vooraanstaande Handel-dirigent. Met veel gevoel voor dramatiek en dankzij zijn goede neus voor zangtalent bracht hij toonaangevende uitvoeringen van enkele vocaal-instrumentale Handel-werken. Tussen Handels Italiaanse opera's en zijn Engelse oratoria staat 'Giulio Cesare', een ernstige opera die ook als oratorium opgevoerd kan worden. Minkowski's opname van het werk ontstond in het Weense Konzerthaus na enkele concertante opvoeringen van het werk in Europa. Niettegenstaande Handel in 'Giulio Cesare' met tal van meeslepende en populaire aria's uitpakt, slaagde hij er toch in het verhaal dramatisch zeer overtuigend uit te werken. Minkowski versterkt die symbiose tussen lyriek en dramatiek met zijn heldere en stuwende interpretatie. Bovendien beschikt hij over solisten die de tekstdeclamatie hoog in het vaandel voeren en hun rol ook zeer overtuigend invullen: Marijana Mijanovic als Giulio Cesare en Magdalena Kozena als Cleopatra tonen in deze opname hun pure klasse, maar ook Charlotte Hellekant als Cornelia en Anne Sofie von Otter als Sesto zetten met veel vocale kunde levensechte personages neer. (TE) Capercaillie 'Choice Language'Vertical/Music & Words Het uit Argyll in de Schotse Hooglanden afkomstige Capercaillie is al jaren een van de sterkste vertegenwoordigers van de traditionele Keltische muziek in een modern jasje. Verscheidene wereldtournees, een rijke discografie die teruggaat tot 1984, soundtracks voor films (onder meer 'Rob Roy' met Liam Neeson) en door de wol geverfde muzikanten hebben het internationale succes van deze groep al die tijd verzekerd. Zowel Manus Lunny (bouzouki) als Charlie McKerron (fiddle) en Donald Shaw (accordeon, toetsen) zijn grote namen in de Keltische muziek. Maar het geheime wapen is de expressieve stem van Karen Matheson, een zangeres die de traditionele muziek via haar grootmoeder leerde kennen. Terwijl het vorige album 'Nadurra' veeleer een akoestisch avontuur was, wordt op 'Choice Language' een heel ander pad bewandeld. Mede door de hulp van een funky drummer, een sobere maar trefzekere bassist en een subtiele percussionist staat de cd vol loops, samples en moderne grooves. Getuige daarvan is 'A State of Yearning', een schoolvoorbeeld van een hedendaagse song met Keltische roots gemarineerd in een dressing van funk, folk en pop. Naar goede gewoonte vertegenwoordigen de twaalf songs een mix van zelfgeschreven materiaal (vaak beinvloed door actuele gebeurtenissen), eeuwenoude Gaelic-traditionals en gedreven instrumentale passages waarin bewezen wordt dat Capercaillie nooit als een museumband door het leven zal gaan. (DF) Swell 'Whenever You're Ready'Beggar's Banquet Het album start met het geluid van een voorbijrijdende wagen. Het sein voor de chauffeur van dienst, Swell-voorman David Freel, om de gordels aan te doen, de gitaren te laten invallen en op zoek te gaan naar 'the way to the world'. Vervolgens doemen enkele mysterieuze stemmen op en een kenwijsje dat verdomd veel weg heeft van een dikke hit van de Four Tops (als daar maar geen processen van komen), alleen onheilspellender. Het blijkt meteen ook de intro en het sluimerende leidmotief van 'Next to Nothing': 'Checking out from the smoke and the fire, next to nothing', zingt Freel, met de hand aan de versnellingspook en de blik op oneindig. De luisteraar krijgt het gevoel dat hij vertrokken is voor een lange rit. Highway 101, die het noorden van Californie met het zuiden van de staat verbindt, stond model voor de meeste tracks van 'Whenever You're Ready'. Samen met drummer en stichtend lid Sean Kirkpatrick, die na enkele jaren afwezigheid weer van de partij is, slaagt Freel er in het leven te typeren met de metafoor van de snelweg. Verre liefdes staan voor lange ritten. Afstand wordt overbrugd via de sterrenhemel. En net zoals op de snelweg vinden er in het echte leven maar heel occasioneel veranderingswerken plaats. De gaten in de wegen worden systematisch groter en zelden gerepareerd. De meeste protagonisten op 'Whenever You're Ready' blijken zich daar trouwens verzoend mee te hebben. Ze plukken, tegelijkertijd hoopvol en gelaten, de dag. Ook het artwork (van Kirkpatrick) met zijn wazige, idyllische beelden van de kant van de weg draagt bij tot die sfeer. Het enige probleem met dit zevende album van Swell, noem het gerust een conceptplaat, is dat de liedjes nogal eenvormig zijn, dat er op muzikaal vlak weinig gebeurt. Freel en Kirkpatrick grijpen doelbewust terug naar het duoformat van de beginjaren. Ze worden sporadisch weleens bijgesprongen door een extra gitarist, bassist, toetsenist en/of een violist, die stuk voor stuk voor relief zorgen. Maar ook de gastmuzikanten beseffen heel goed dat op 'Whenever You're Ready' het geheel belangrijker is dan de deeltjes. De consequent opgebouwde sfeer overheerst de afzonderlijke albumtracks. Voor wie daar genoegen mee neemt, is het heerlijk wegdromen op 'Whenever You're Ready'. (TPe) The Long Winters 'When I Pretend to Fall'Barsuk Records/Munich Met zijn 34 levensjaren is John Roderick niet meer de jongste uit de gitaarscene van Seattle. Maar dit jaar klonk een verzameling van twaalf popliedjes nergens frisser dan op de tweede plaat van The Long Winters, de muzikale uitlaatklep van Roderick. 'When I Pretend to Fall' wordt, als er gerechtigheid bestaat, hun doorbraak-cd op het Europese vasteland. De intelligente en passionele gitaarpop van The Long Winters klinkt te eenvoudig om waar te zijn. Maar als je even onder de oppervlakte spit, merk je dat Roderick zich helemaal niet aan de geplogenheden van het liedjesvak houdt. Hij vermijdt de cliches, weigert bijvoorbeeld te rijmen waar dat voor de hand ligt en ook zijn teksten zijn erg obscuur en duister. En toch levert hij fantastische, zij het bitterzoete, bubblegumpop af. En wat doe je met een refrein als 'They said: 'Do you remember when you saw her last?' / I said: 'Her skin is cinnamon, her skin is cinnamon.'? Na een luisterbeurt uit volle borst meezingen, want Rodericks composities zijn, ook al begrijp je er geen snars van, besmettelijker dan een wormvirus. Allerhande aanwezige mandolines (op 'Cinnamon' van goede vriend en collega Peter Buck), blazers, orgeltjes, strijkers en accordeons staan volledig ten dienste van het warme, vertederende stemgeluid van Roderick. Hoogtepunten opnoemen is moeilijk, want alle tracks hebben hetzelfde hoge niveau. Toch een aparte vermelding voor het pakkende en soulvol gezongen 'Scared Straight', waarin zomerse blazers discreet een blauw gevoel wegtoeteren. Het album werd geproduceerd door Roderick, Ken Stringfellow (Posies, Big Star) en Chris Walla (Death Cab For Cutie), en naast Peter Buck (R.E.M.) kwamen ook Scott McCaughey (Minus 5) en Sean Ripple (American Analog Set) hun collega een hart onder de riem steken in de studio. Zij zijn al overtuigd van de charmant gearrangeerde popsongs van 'When I Pretend to Fall'. Nu u nog. (TPe) David Sylvian 'Blemish'Samadhisound/Lowlands Distribution 'Ik denk dat ik steeds meer en meer cultureel onzichtbaar ben geworden', liet David Sylvian onlangs nog noteren in een interview. 'Mijn werk wordt vaak als irrelevant omschreven.' Het zegt iets over het feit dat het ex-boegbeeld van Japan - in volle punktijd aan het eind van de jaren 70 zowat de verpersoonlijking van de glampop, inclusief lippenstift en mascara - zich na de split meer en meer achter zijn muziek verschool. Als soloartiest bracht hij tijdloze albums uit waar onder anderen Ryuichi Sakamoto, Holger Czukay, John Hassell, Robert Fripp of Bill Frisell aan meewerkten. Vier jaar na het rijkelijk geinstrumenteerde 'Dead Bees On A Cake' en twee contractueel verplichte verzamelalbums om de jarenlange alliantie met Virgin stop te kunnen zetten, is Sylvian een vrij man. Meteen maakte hij van de gelegenheid gebruik om zijn eerste album op zijn kersverse label uit te brengen. 'Blemish' is zonder twijfel de meest persoonlijke plaat die hij ooit heeft opgenomen. Het is als het ware een kijk in een bij momenten getormenteerde ziel die op zoek is naar enige verlichting. De 13 minuten tellende titeltrack drijft op een gecontroleerde feedback die een prima platform blijkt te zijn voor Sylvians warme stem. Op drie andere songs onderlijnt de atonale gitaar van 73-jarige free jazz-gigant Derek Bailey het abstracte karakter van de songs nog wat meer. Gelukkig zorgt 'A Fire In The Forest' - ondersteund door de heerlijke minimalistische elektronica van de Oostenrijker Christian Fennesz - voor een hoopvolle afsluiter. David Sylvian concerteert op maandag 13 oktober in het Koninklijk Circus (www.goformusic.be). (DF) Sandy Dillon 'Nobody's Sweetheart'One Little Indian Records/Zomba Met 'Electric Chair' ving de Amerikaanse Sandy Dillon in 1999 talrijke complimentjes van de internationale pers die gul was met vergelijkingen met Janis Joplin, Bjork, PJ Harvey of Nick Cave en vooral met Captain Beefheart en Tom Waits. Op 'East Overshoe' dienden blues en country als uitvalsbasis voor de meest bizarre stijloefeningen rond beladen thema's zoals incest en televisie-evangelisten. Toen ze samen met haar partner, songschrijver en producer Steve Bywater de opnames had afgerond voor 'Las Vegas Is Cursed', een project met Hector Zazou, stierf Bywater plots aan een hartaanval. Met de gedachte dat ze als een 'nobody's sweetheart' verder moest, begon ze na maanden stilte aan deze cd te werken die verrassend fris, open en vertellend klinkt. Voor het eerst gebruikte ze allerlei elektronische opnametechnieken, deed ze beroep op muzikanten uit het dance-milieu en levert ze haar meest popgerichte cd af. Geen verwrongen vocalen meer, wel haast loepzuiver zeer emotioneel gezongen ballades zoals 'Feel The Way I Do' of 'Mama's Backyard' die hand in hand gaan met pure dance pop ('It Must Be Love') of een bizarre torch-song ('Shoreline', een duet met Heather Nova). 'Nobody's Sweetheart' mag dan al zeer toegankelijk zijn naar Dillon-normen, op geen enkel moment serveert ze eenheidsworst. Ze concerteert op 20 september tijdens Les Nuits Botanique. (DF) The Silver Mt. Zion Memorial Orchestra & Tra-La-La Band With Choir 'This is Our Punk-rock (Thee Rusted Satellites Gather + Sing)'Constellation/ Bang! Het Canadese A Silver Mt. Zion groeide in enkele jaren uit van een gelegenheidsgroepje met drie leden van Godspeed You! Black Emperor tot een los-vast collectief van meer dan 20 muzikanten. Na hun sterke debuutalbum 'He Has Left Us Alone But Shafts of Light Sometimes Grace the Corner of Our Rooms' (Constallation, 2000) veranderde de groep meermaals van naam en startte ze een samenwerking met het eveneens Canadese Tra-La-La Band. Vandaag brengt The Silver Mt. Zion Memorial Orchestra & Tra-La-La Band With Choir hun derde officiele langspeler op de markt. 'This is Our Punk-rock (Thee Rusted Satellites Gather + Sing)', vier nummers die samen net de kaap van het uur niet halen, brengt weinig vernieuwing. Het epische, unheimliche en tegelijkertijd troostende (postrock-)sfeertje waar de groep een patent op heeft, wordt - met groot vakmanschap - nog eens uitgezet. Het klinkt haast vervelend vertrouwd. Wij zijn immers gewend aan de combinatie van droeve, breed uitgesmeerde viool- en cellopartijen, drums en elektrische gitaren die zich naar een hoogtepunt werken. Als surplus heeft de groep de stem achter de hand. Het vijftienkoppige koor zingt niet met woorden, maar met noten in een stijl zoals Philip Glass het hen voordeed. De zweverige, kuise stemmen die Glass' werk kenmerken, vervangt de band echter door stevige mannen- en vrouwenstemmen die veel weg hebben van een dronkemansorkest. Bij vlagen treedt Efrim Menuck, het kernlid van de band, op het voorplan met vreselijk krijserige zang. Snotterig protesteert hij tegen het onrecht in de wereld, van economische ontwrichting tot militaire wantoestanden in de recente oorlogen - iets wat ook in het tekstboekje wordt aangeraakt. 'This is Our Punk-rock' is vakkundig en met de beste intenties gemaakt, moet louteren en ontroeren, maar overtuigt ons helaas niet. (IS) Sack und Blumm 'Kind Kind'Staubgold/ Lowlands De Keulenaar Harald 'Sack' Ziegler en de Berlijner Frank Schultge Blumm hebben een bescheiden reeks officiele plaatjes en een woekerend woud van tapereleases op hun actief. Respectievelijk werkend als cartoonist/mail-artkunstenaar en radioprogrammator/maker van absurdistische luisterspelen, startten de twee rond 1997 met componeren. Omdat de heren behoorlijk ver van elkaar wonen, gebeurt dat voornamelijk per post en via e-mail. Centraal in het werk van Sack und Blumm staat een kinderlijke naiviteit, een lo-fi esthetiek en een doorgedreven zucht naar lange, onvoorspelbare en haast niet opvallende repetitieve schema's. Met een enorm uitgebreid en onvoorspelbaar instrumentarium - hoorn, duimpiano, mbira, tabla, bas, laptop, melodica, speelgoed, breinaalden, enzovoort, enzovoort - vertalen de twee hun uitgangspunten naar genreoverschrijdende doch erg knuffelbare compositietjes. 'Kind Kind' vormt een voorlopig hoogtepunt in hun oeuvre. Fluiten en tabla's, onnozele riedels van de Casio, opgeblazen accenten van de gitaar en samples (naar verluidt schuilt op de plaat de stem van Rod Stewart) worden in een repetitief kader geschikt dat zowel aan folk, aan ambient als aan lo-fi elektronica appelleert, maar vooral nergens thuishoort. Het eigengereide 'Kind Kind' is warm en zacht, zoet en lief, ingetogen en ontroerend, speels en naief, vrolijk tot dartel en soms dermate triest dat het tot tranen toe roert. De grote kracht van Sack und Blumm is dat ze onwaarschijnlijk complexe technieken en patronen vanzelfsprekend doen klinken. Precies dat maakt hun smeltkroes van muzikale stijlen en uitgangspunten zo onopvallend bescheiden en zo adembenemend mooi. (IS) Samenstelling: Tom EELEN, Dirk FRYNS, Tom PEETERS, Ive STEVENHEYDENS.