Advertentie
Advertentie

Rechtlijnig naast enigmatisch

Op de benedenverdieping van het Museum voor Hedendaagse Kunst Antwerpen zijn twee kleine tentoonstellingen te zien. Zowel de bescheiden overzichtstentoonstelling van de Belg Willy de Sauter als Seul/ La main qui efface/ peut écrire, een voor het Antwerpse museum geconcipieerde expositie van de Rotterdamse Lidwien van de Ven, geven een krachtig inzicht in het oeuvre van beide kunstenaars.Willy de Sauter (1938, Dudzele-Brugge) zoekt in zijn werk naar het minimale en het essentiële. Sinds de jaren zeventig gebruikt hij daarvoor voornamelijk de beeldende aspecten van de lijn. Dat uitte zich in werk op papier: reeksen met telkens dezelfde dunne lijn, in lengte variërend of parallel lopend. Ook tastte De Sauter de invloed van een diagonaal op een rechte af. Of hij schilderde een diagonaal afgebakend vlak dat het blad of doek deelt waar hij opnieuw een scherpe lijn aan toevoegt. Zo ontstond een wisselwerking en een vraagstelling tussen de geschilderde, oncontroleerbare patronen die de borstel in de verf nalaat en de precieus neergezette lijn. Halfweg jaren zeventig evolueerde De Sauters werk voort: parallel lopende verticale lijnen die een vlak arceren. Hij liet de afstand tussen de lijnen variëren, een techniek die van op een afstand bekeken de vlakken verschillende grijswaarden meegeeft. In dezelfde periode introduceerde De Sauter voorzichtig de derde dimensie in zijn werk. Door kalkpapier te plooien of vellen op elkaar te stapelen liet hij via licht- en schaduwwerking het beeld als het ware zichzelf vormen. Na jarenlang met lijn en vlak het schijnbare niets te onderzoeken, scharniert het werk van De Sauter: de kunstenaar laat kleuren toe en richt zich eveneens op sculpturaal werk. Ook dat gebeurt bijzonder spaarzaam en met grote aandacht voor de vormelijke aspecten van de gebruikte materialen. Zo staat een stuk gepolijst koper naast een onbehandeld vlak of deelt een met bladgoud beschilderde rechthoek het canvas in tweeën. Aan de betonnen sculpturen - diagonaal afgevlakte en gepolijste rechthoeken die in reeksen op de vloer liggen - voegde de kunstenaar pigment toe, variërend tussen blauw-, geel- en grijstonen. Hoewel er raakvlakken zijn met minimalistische en conceptuele kunst, eist de kunstenaar een specifieke plek voor zich op: zijn methodes zijn ambachtelijker en zijn werk is onderzoekender, het raakt aan de problematiek waar vormgevers mee geconfronteerd worden. Een speciale plaats daarin krijgt de architectuur: halverwege de jaren tachtig tot de eerste helft van de jaren negentig richtte de kunstenaar zich op grondplannen van gebouwen uit het Interbellum, vaak bouwsels met een rechtlijnig en sober karakter. De details abstraherend, levert dat - soms monumentaal - meetkundig geïnspireerde schilderijen op die uitblinken in balans en vlakverdeling.Seul/ La main qui efface/ Peut écrire, een tentoonstelling die de fotografe/kunstenares Lidwien van de Ven (1963) voor het MUHKA selecteerde uit werk van de laatste vijf jaar, boeit maar ligt zwaar op de hand. De zwartwitfotografie op groot formaat en de videos verstrekken de toeschouwer basisgegevens waarmee hij zelf aan de slag moet - de kunstenares distantieert zichzelf van het expliciet vertellen van een verhaal. Dat geeft ze eigenlijk al aan met de titel van de tentoonstelling: lyriek, mysterie, esthetisering en bevraging vormen essentiële begrippen bij het lezen van van de Vens werk.Van de Ven grijpt terug naar Hitlers derde rijk met een fotoreeks: de beelden van de verpauperde, in restauratie verkerende gebouwen naast een ingetogen jong meisje roepen een cluster van associaties op: van Leni Riefenstahl over neonazis tot de huidige positie van Europas kapitaalkrachtigste land. In dezelfde zaal hangt een foto van biddende moslims in een Weense moskee tegenover een drukke kerkdienst in de Berliner Dom: opnieuw een stortvloed van interpretatiemogelijkheden en een aanzet tot discussie. Daarbij vergeet Van de Ven het esthetische nooit. Zo doen haar fotoreeksen denken aan de Duitse school van Gursky, Ruff en Struth. Indrukwekkend is Untitled (The Belgian Affair), een video-installatie bestaande uit vijf projecties van huisjes op het platteland en braakliggende terreinen. Naast de absurditeit van de verkavelingen speelt Van de Ven met themas als nostalgie, huiselijkheid en de angst die te verliezen. Los van die beelden draait een filmlus steeds dezelfde scène van een vrouw die haar contactlens behoedzaam inbrengt. Opnieuw laat het met symboliek beladen werk van Van de Ven zich niet eenduidig lezen: wijst het beeld op een verscherpen van de blik of op een nader beschouwen? In het beste geval, zoals hier, houdt haar werk een enigmatisch surplus in.Willy De Sauter tot 27 mei, Seul/ La Main Quit efface/Peut écrire van Lidwien van de Ven tot 29 april, in het Muhka, Leuvenstraat 32, Antwerpen. Informatie: 03/238.59.60.Hallucinant en oersaaiTer gelegenheid van Viewpoint, het festival voor de documentaire film in Gent, stelt het S.M.A.K. twee video-installaties van de Duits-Egyptische Harun Farocki tentoon. Ze laten de kunstenaar in zowel een sterk als een zwak moment zien. Farocki, sinds 1966 actief, maakt films die manifest van lading zijn in een stijl die aansluiting vindt met de vormvereisten die de Franse Nouvelle Vague-cineasten formuleerden. Vaak laat de kunstenaar/filmer zich in met sociaal en politiek gevoelige themas: titels als Gelegenheidsarbeit einer Sklavin (1974) of Arbeiter verlassen die Fabrik (1995) zeggen op zich veel. Meer dan louter registreren of illustreren, becommentarieert Farocki zijn onderwerpen. Dat gebeurt vanuit een radicaal humanistisch en sterk sociaal geëngageerd perspectief.De twee installaties in het S.M.A.K. zijn vormelijk gelijkaardig: beide bestaan uit twee onafhankelijk van elkaar lopende videoprojecties. Dat biedt de kunstenaar de mogelijkheid zijn betoog te verruimen: het ene beeld kan bijvoorbeeld het andere ondersteunen door meer getailleerde informatie aan te reiken of becommentariëren. Inhoudelijk verschillen Farockis twee recente projecten (uit 2000 en 1995) echter sterk. I Thought I was Seeing Convicts (2000) werd geschoten in de Californische gevangenis Corcoran, een van de strengst bewaakte penitentiaire instellingen ter wereld. Zo is het binnenplein een betonnen doos omgeven door prikkeldraad, groen of uitzicht ontbreekt. Gedetineerden worden veelvuldig gecontroleerd: telkens wanneer ze buiten zijn geweest, vindt een aftasten plaats, post wordt elektronisch doorgelicht. Streng verboden heet bezit: een gevangene heeft enkel zijn lichaam en - als ie geluk heeft - de sociale band met lotgenoten.Farocki mengt in I Thought I was Seeing Convicts beelden van de vele bewakingscameras in de instelling met eigen opnames van de inwoners en het personeel. Concorans elektronische surveillanten blinken uit in techniek: ze beslaan een veld van 360 graden en kunnen van tien meter inzoomen tot de lettertjes van een muntstuk. Te samen slaan de cameras geen hoekje over. Voor de buitenstaander produceren ze ronduit hallucinante beelden, spek naar Farockis bek. Zo bevat I Thought I was Seeing Convicts confronterende candid camera-scènes van geliefden tijdens het bezoekuur. Ondanks de zich sterk manifesterende drang onthouden ze zich van elkaar te kussen: in Concora mag enkel de hand worden gegeven; wie die regel overtreedt, wordt meteen weer naar zijn cel gestuurd. Mogelijk nog aangrijpender zijn de shots van gevechten onder gedetineerden en de gewapende interventie van bewakers: na enkele rubberkogels wordt er meteen met scherp geschoten.Met I Thougth I was Seeing Convicts formuleert Harun Farocki een scherpe kritiek op de biotoop gevangenis en de manier waarop er met gedetineerden om wordt gegaan. Op zich verhullen de schrijnende beelden dat al: een sterk vertraagde close-up van een gevangene die een andere afrost - de man wil de ander met het hoofd op het beton slaan - exposeert de beestachtige, desperate moraal die in de instelling leeft. Toch koos Farocki voor commentaar in de vorm van tussentekst en stem, een betwistbare zet. Meer dan manifest documentair, handelt Farockis meest recente project over de eigenheden van het medium zelf - besloten in de schokkerige beelden en montage, het spelen met fictie/realiteit en de verwachting van de kijker - en over een gesofisticeerde maatschappij waar degene die controleert de macht bezit.Schnittstelle, de tweede video-installatie die het S.M.A.K. exposeert, gaat in op de eigenheden van de media van de kunstenaar: gezeten aan de montagetafel, legt hij uit over zijn geliefde bewegende beeld. Begrippen als compositie, shot/tegenshot en objectivering/subjectiviteit van het beeld worden ondersteund met fragmenten uit eigen werk (als Ein Bild (1983), filmklassiekers (La Sortie des Usines Lumière, Metropolis) en zuiver illustratieve opnames. Wie Schnittstelle ondergaat, neemt de bluts met de buil: Farockis betoog is persoonlijk en helder maar ook enerverend want al te uitleggerig. Zo laat hij zien dat pellicule kan aangeraakt - nog eens extra aangedikt met een shot van geld dat geteld wordt - in tegenstelling tot video. Reken daarbij de miserabele omstandigheden waarin Schnittstelle geëxposeerd wordt (de Duitstalige uitleg van de kunstenaar is nauwelijks hoorbaar) en Schnittstelle interesseert geen hond.Harun Farocki, tot 11 maart in het S.M.A.K., Citadelpark, Gent. Inlichtingen: 09/221.17.03. Op 4 maart 2000 (11.00 uur) vindt een publieksmoment in aanwezigheid van de kunstenaar plaats.Samenstelling: Ive STEVENHEYDENS