Risicokapitaal en internet: wordt 2001 het jaar van de waarheid?

De laatste jaren van de twintigste eeuw zullen de economische geschiedenis ingaan als de opkomst van de nieuwe economie. Deze was gekenmerkt door diverse factoren. Ten eerste een spectaculaire groei van het risicokapitaal. Waar vijf jaar geleden de sector in Europa nog een volledig jaar nodig had om 5 miljard euro risicokapitaal te investeren, speelde zij dit in 2000 klaar op een maand. En ook België slaagde erin de sector te vertwaalfvoudigen in amper vier jaar (100 miljoen euro in 1996, 600 miljoen euro in de eerste helft van 2000). Ten tweede de opkomst van de ICT sector, met als koninginnestuk het internet. Door de hype konden bedrijven kort na hun start hun IPO (initial public offering) realiseren. Ze werden daarin bijgestaan door investeerders die tegen elke prijs het waardevolle papier in handen wilden krijgen.Ten derde werd het ondernemerschap gepromoot. Start-ups creëren was de nieuwe boodschap. Het summum was risicokapitaal investeren in internet start-ups, wat een combinatie van deze drie mascottes inhield. De exorbitante return die bepaalde projecten opleverde had het effect van iemand die de eerste keer naar een casino stapt en met de jackpot buitenkomt terwijl de limousine voorrijdt. Vele gokspelers begrepen dat dit het slechtste was wat hen kon overkomen. Een enquête die vorig jaar werd uitgevoerd door de business school van Lausanne toonde aan dat risicokapitalisten een return wensen van 120 procent op hun early stage-investeringen. Voor minder doen zij het niet. Overshooting heet dat.En dan keerde het tij. In de Verenigde Staten, het grote voorbeeld voor Europa inzake nieuwe economie, gingen vorig jaar meer dan veertig internetbedrijven over kop. Merill Lynch berekende dat van de 400 internetbedrijven die nu gequoteerd staan op de Amerikaanse beurs, 300 verdwijnen tegen 2005. Daarnaast waren er heel wat lay-offs. Dit betekent dat het bedrijf wordt geherstructureerd (lees gesaneerd), vooral omdat het niet meer aan de nodige middelen geraakt. Meer dan 200 dotcom-bedrijven in de Verenigde Staten ontsloegen vorig jaar op die manier meer dan 25.000 medewerkers. Ook hier worden internetbedrijven gereorganiseerd of gaan overkop.Enkele voorbeelden van bedrijven die het jaareinde niet hebben gehaald: Boo.com (verkoop van sportartikelen), Cafébelge.be (informatiewebside; behorende tot Headtrick Media Groep), Clickmango.com (verkoop van schoonheidsproducten), Dressmart.com (verkoop van kledij). Lay-offs, zagen we bijvoorbeeld bij Amazone.com, Intershop.com, Letsbuyit.com en proxis.com, om er maar enkele te noemen. Steevast vertaalde zich dat in fors lagere beursnoteringen. Ook daar liet de nieuwe economie het trouwens afweten. NASDAQ verloor 35 procent. EASDAQ, de Europese tegenhanger, verwerd tot een handelsplatform in plaats van the place to be voor (de schaarse) nieuwe noteringen. Maar vergeten we niet dat een beurs zoals EASDAQ precies in het leven werd geroepen om de exitmogelijkheden van de risicokapitaalmarkt aan te zwengelen. En ten slotte dossiers zoals Lernout en Hauspie doen de risicokapitaalsector ook geen goed; ze verliezen niet alleen geld maar sommige verliezen ook hun notoriëteit.In dergelijke context roepen de risicokapitalisten dan ook alle hens aan dek om de schade te beperken. Ze bedrijven een sauve qui peut-filosofie. Consolideren, noemen zij dat. Ze passen nu op hun tellen zodra het woordje dotcom of start-up in het bedrijfsplan staat. Tezelfdertijd zitten de meeste risicokapitalisten nog op hopen te investeren, hoofdzakelijk institutionele, fondsen. Maar aangezien start-ups en internetbedrijven uit de mode zijn, gaan zij op zoek naar expansie-investeringen of MBOs. Dat leidt ons tot de ironische conclusie dat hoe meer risicokapitaal er is, hoe moeilijker het wordt voor een (internet)starter om er te bekomen. Er is dus opnieuw overshooting, maar nu met de slinger aan de andere kant.Economie is geen lineair proces maar een van creatieve destructie zoals de Europese economist Schumpeter dat noemde. Vandaar dat de regels die gebruikelijk zijn in de oude economie dat ook zijn in de nieuwe. Een markt creëren waar geen vraag is; een marketingcampagne doen op wereldschaal als men nog niet heeft bewezen dat het product verkoopt op de thuismarkt; een bedrijf starten zonder eigen inbreng; het kon allemaalvoorzover men maar de financier kon overtuigen. De vraag, de verkopen, de klanten, dat zijn zorgen voor later. De toekomst van een bedrijf werd gemeten aan het niveau van haar burnrate (met andere woorden op basis van de verliezen die ze maandelijks cumuleert in haar startfase). Dit alles is echter veeleer financiële speculatie dan economie. De risicokapitaalsector onderschreef het algemene gezegde dat de kredietpolitiek van de banken er in bestaat een paraplu uit te lenen, zolang het niet regent. Het is nu aan de risicokapitaalsector om aan te tonen dat zij niet in hetzelfde bedje ziek zijn. Selectie van projecten gebaseerd op traditionele risico-indicatoren, klassieke, eventueel aangepaste waarderingstechnieken en degelijke analyse van het product zijn daarbij essentieel. Ten slotte, wat maar meer gericht zijn op hands-on-management wat betreft de investeerder, en meer realistische verwachtingen wat betreft de prijs voor de investeerder, zouden de sector goed doen. Het jaar 2001 wordt inderdaad het jaar van de waarheid voor de Europese (en Belgische) risicokapitaalsector en bepaalt of deze zich ontpopt tot een mainstream financieringsbron voor (startende) ondernemingen, of dat ze eerder een marginale rol zal spelen in de financieringswereld.Rudy AernoudtDe auteur is bestuurder bij de Europese Commissie en gastprofessor aan de Hogeschool Gent