Santons uit het Provençaalse Hollywood

Het grootste standbeeld dat een Provençaal kan krijgen, is heel klein. Dat besefte ik toen ik voor een geschenkenwinkel stond te kijken naar keramieken beeldjes die allerlei figuren uit het volksleven voorstelden. Santons heten ze. Zij zijn tien tot twintig centimeter hoog, dragen geschilderde kledij en soms ook jassen en broeken van een minikleermaker. Zij staan uit te kijken naar kooplustige toeristen, maar zijn niet louter voor de souvenirindustrie geschapen. Zij maken deel uit van de echte Provençaalse beeldenwereld. Wie daar in opgenomen wordt, is vrijwel heilig verklaard. Wie zulk een licht portret krijgt, is iemand met gewicht.Santons, de naam komt natuurlijk van saints. Heilige mensen. Eeuwen geleden werden zij gecreëerd als deelnemers aan het kerstfeest. In de donkere dagen van december bouwen de Provençalen van alle gezindheden nu nog altijd ijverig aan een eigen Bethlehem, waar zoveel mogelijk mensen uit de streek zich rond de kribbe gaan scharen. Herders komen met hun schapen en geiten uit de bergen naar de verlichte mas, boeren snellen over de heuvelwegen, burgers rijden en rotsen in koetsen ter plekke, kinderen lopen dansend door de weiden. Molens begroeten hen met zwaaiende wieken, bergen vormen een erewacht. En kijk, tussen al dat feestelijke volk lopen santons met bekende gezichten, mensen die om een of andere reden zo populair zijn geworden dat zij voortaan deel uitmaken van het gemeenschappelijke volksbezit. Met zn allen zijn ze zo beweeglijk, dat ze de kerstperiode te buiten gaan en heel het jaar door hun kleuren tentoonspreiden.Zo ontmoette ik op een zomerse dag in de geschenkenwinkel enkele figuren met wie ik in de loop der jaren een speciale vriendschapsband heb gesmeed. Rond een tafeltje herkende ik enkele pastis drinkende kaartspelende Marseillezen uit de tijd van de zwart-witfilms: Cesar, Panisse, Escartefigue... En daar, is dat Marius niet, op weg naar Fanny? En ginder, wat verder, warempel, de grootste aller groten uit de jaren dertig: Raimu, de legendarische filmspeler, in de gedaante van een bakker die bezig is deeg in zijn trog te kneden! Ha, Raimu, de man met het nu eens tragische, dan weer melancholische en zachte gezicht, die de geestige Pagnol zo dramatisch kon vertolken dat zelfs Orson Welles er bijna tranen in de ogen van kreeg. Raimu is terecht verheven tot de eer van de santons.Geen mooier bewijs van zijn blijvende roem. Geen groter standbeeld dan dit kleine figuurtje!* * * Zou het alleen maar een toeval zijn, dat de santons hun centrum hebben in Aubagne, het geboortedorp van Marcel Pagnol? De toneelschrijver, cineast en Académicien, die zovele Provençaalse typen het leven schonk, kwam in 1895 ter wereld op de plek waar al sinds de Oudheid keramisten en pottenbakkers de kleigrond uitbaten. Ik keek rond in de winkel en ik vond ook de spirituele Marcel, met zijn witte haar en zijn rode ruitenhemd met open kraag. Hij stond in de buurt van Alphonse Daudet, met hij zo vaak is vergeleken. Ook Vergilius, die hij in zijn jonge tijd in het Frans heeft vertaald, hield hem minzaam gezelschap.Aubagne ligt op zon 15 kilometer van Marseille en is met zijn 44.000 inwoners al lang een deel van de bestofte agglomeratie aan de blauwe zee. Pagnol wordt er liefderijk en dankbaar geëerd met een eigen museum en met wandelwegen rond de plaatsen waar hij zijn films draaide. Mooi, maar ik kijk liever naar de films zelf. Zij baden in een sfeer waarin zijn eigen santons tot leven komen en de klankrijke taal van de streek beginnen te praten.Monsieur Duca, die liefdadige man, heeft mij een van die films cadeau gegeven, nog wel een der beste: La Femme du Boulanger, die ik stilaan uit het hoofd ken. Monsieur Duca, net als Pagnol van huize uit een onderwijsman, is bezorgd om mijn goede Provençaalse opvoeding. Hij weze geprezen zowel als de uitvinder van de video!Ik vroeg hem of hij het dan niet eens is met de Ernstige Critici volgens wie Pagnol een veel te karikaturaal en gewild-komisch beeld van de Provence en haar bewoners heeft opgehangen. Het zijn goede karikaturen, zei Monsieur Duca. Zij dateren uit een voorbije tijd. Zij zijn letterlijk en figuurlijk in zwart-wit gemaakt. Toch zitten zij vol kleuren, die elk hun wijsheid bevatten. Lachend zijn ze ernstig. Dat is het geheim van de humoristen. Maar de Ernstige Critici zeggen dat hij te folkloristisch is, wierp ik nog tegen. Kunnen folkloristen nooit universeel zijn?, vroeg Monsieur Duca.Marcel Pagnol had al een stevige reputatie als toneelschrijver toen hij in de vroege jaren dertig scenarios begon te schrijven voor Franse filmpioniers, bij wie hij zich weldra ook als cineast aansloot. Het was de tijd toen de rolprenten het stilzwijgen verlieten en hun kijkers aan de klap hielden. Pagnol stelde zich voor dat le cinéma parlant de kunst was om het vluchtige theater vast te leggen en een brede verspreiding te geven. Al doende leerde hij dat die kunst heel wat meer kon zijn dan verfilmd toneel. Zij bood hem de mogelijkheid zijn geschilderde decors te verlaten en naar buiten te trekken, zij liet hem toe zijn improvisatietalent bot te vieren. Zo werd hij een der voorlopers van het neorealistische filmwerk.Inspiratie vond Pagnol in zijn eigen verhalen en bij zijn streek- en leeftijdgenoot Jean Giono. Ook Giono was sinds enkele jaren een gevierde auteur. Hun filmbewerkingen kenden succes, maar niet hun persoonlijke relatie. Giono was een lyrische verteller met een buitengewone verbeelding, die in een heel eigen, mythische Provence leefde. Zijn grondige sérieux was niets voor Pagnol, die meer een man van de spitse komedie, een populist was, die pas op de toneelplanken tot volle bloei kwam. Bovendien waren zij beiden koppige naturen. Dat leidde tot spanningen. Giono vond telkens weer dat Pagnol te veel zijn eigen (lichte) accent in zijn verhalen legde.* * * In 1932 gaf Jean Giono een opmerkelijk goed boek uit, een semi-autobiografische roman: Jean le Bleu. Hij liet zich daarvoor inspireren door zijn jeugd in Manosque en de omliggende dorpen van de Haute Provence, maar hij erkende dat hij veel verzon (al verzon hij wel eens dat hij iets had verzonnen). Het kwam hem op de geest en de sfeer aan. Algemeen beschouwt men Jean le Bleu als een van zijn beste werken. Men wijst dan op de prachtige evocatie van zijn vereerde vader en op de manier waarop hij de ontdekking van zijn sensualiteit beschrijft. De titel zinspeelt op zijn eigen blauwe ogen maar ook op het blauwe uniform dat hij als jonge bankbediende droeg en op de betekenis die bleu in het leger kreeg: naïeve beginneling. Hij was een schacht in de mensenwereld.In dit boek komt een passage voor over een dorpsdrama dat er zeer authentiek uitziet maar totaal uit de lucht is gegrepen. De enige bakker van het dorp heeft zich verhangen en zijn bakkerijtje wordt overgenomen door een echtpaar dat uit de stad komt. De man, die luistert naar de naam Aimable (beminnenswaardig), is geen pronte figuur en veel ouder dan zijn vrouw, die hem minacht. De vrouw legt het aan met een herder en vlucht met hem. De bakker is daardoor zodanig uit zijn lood geslagen dat hij geen brood meer bakt, tot ontsteltenis van zijn klanten. Enkele dorpelingen spannen samen om de vrouw terug te halen. Niet omwille van de moraal maar om het verse brood. Zij slagen in hun opzet.De passage verscheen in voordruk als een apart verhaal in een tijdschrift, onder de titel La Femme du Boulanger, de vrouw van de bakker. Marcel Pagnol kreeg dat verhaal onder de ogen en sloot prompt een contract voor een verfilming af. Zijn prent kwam tot stand in 1938. Een meesterwerk!, juichte de kritiek en het publiek stemde daarmee in. Voor een flink deel was dat te danken aan de acteerprestatie van een andere streekgenoot, Raimu, toen 45 jaar en al een hele tijd een befaamde toneelspeler die in eerder werk van Pagnol had geschitterd. Voortaan zouden hun namen aan mekaar geklonken blijven.Marcel Pagnol maakte er een tragi-komische prent van, in de stijl van de komedies waarin hij voordien zijn Marseillese figuren als Marius en Cesar had laten blinken: een opeenvolging van levendige scènes met vinnige, spitante dialogen, die zijn handelsmerk waren. (Mourir ça mest égal, cest quitter la vie qui me fait de la peine.)Pagnol begint met de sfeer onder de oude dorpstoren op te roepen. De scrupuleuze en lachwekkende maar toch goedmenende pastoor heeft het aan de stok met de schoolmeester, een van die typische antiklerikale instituteurs op wie de Franse Republiek is gebouwd.Verscheidene pittoreske dorpstypen zorgen met hun onuitlegbare vetes en kleurrijke eigenaardigheden voor de komische noot. Zij vormen als het ware een grotesk koor rond de hoofdfiguur die ver boven hen uitsteekt: de bakker die eerst niet kan geloven dat hij bedrogen wordt, langzaam de waarheid onder ogen ziet, zich van de weeromstuit aan de drank begeeft en zich wil verhangen, maar die ten slotte, geholpen door de dwaze menigte, zijn vrouw terugkrijgt en bereid is te herbeginnen, omdat er altijd wel ergens diep in de mens een stukje tederheid overblijft.De film is een opeenvolging van dorpsgeestigheid, pittige discussie, soms diepe gedachten, antiklerikale spot en priesterlijke overwegingen, maar ook tragische momenten, pijn en weemoedige levensaanvaarding. Meesterlijk is het slot van de prent, helemaal uit de koker van Pagnol zelf. Als de dorpelingen hun door de baron geleide klopjacht op de bakkersvrouw en haar minnaar tot een goed einde hebben gebracht, komt de vrouw bij valavond alleen naar huis. Aimable ontvangt haar stil. Hij biedt haar een ovenkoek aan, in de vorm van een hart, het enige dat hij in haar afwezigheid heeft gebakken. Hij bekent haar dat hij zich intussen slecht heeft gedragen: te veel aperitief gedronken en de oven laten uitdoven. Zij vraagt hem vergiffenis, maar hij wil niet dat zij over pardon spreekt. Hij wil geen discussie, hij is te bezorgd om haar, te lief. Op dat ogenblik komt Pomponette de bakkerij binnen, de kat die al enkele dagen vermist is. De bakker schiet tegen de kat uit. Hij verwijt haar voor garce en sale ordure. Begrijpt zij niet dat zij haar kater ongerust heeft gemaakt toen zij meeliep met een onbekende, een nietsnut? En waarom? Wat heeft die nietsnut méér dan een ander? Wat betekent dat méér? En dan : La tendresse, quest-ce que tu en fais de la tendresse?De vrouw van de bakker begrijpt zeer goed tot wie die woorden eigenlijk zijn gericht. Zij zwijgt, zij drukt zich tegen haar man aan. Jai froid, zegt zij. De bakker schrikt. Zij is toch niet ziek? t Is tijd om de oven weer aan te steken, zegt hij. Dat doet zij. De vlammen dansen op het hout.Is dat nu folklore? vraagt mij Monsieur Duca.* * * Giono liet zich niet vermurwen. Pagnol ging te ver in zijn karikaturen, meende hij. Toen hij hoorde dat de cineast ook een toneelversie van het bakkersverhaal wou maken, besloot Giono zelf een stuk te schrijven. Hij deed het meteen en gebruikte dezelfde titel. Dat schoot dan weer bij Pagnol in het verkeerde keelgat. Hij wilde de collega voor de rechter slepen. Advocaten werden aan het werk gezet. Zij kwamen tot het inzicht dat de titel al lang voor de film door Giono zelf was gebruikt en zij hielden een proces tegen. Later kwam het tussen beiden weer min of meer goed. Pagnol bleef zijn streekgenoot als een zeer grote schrijver beschouwen en hoopte zelfs dat Giono naast hem in de Académie Française zou komen zitten. Dat is niet doorgegaan. Jammer, hij verdiende die zetel.Het toneelstuk van Giono deed het niet goed. Het kwam in 1943 in Parijs voor het voetlicht en kreeg slechte kritiek en weinig publiek. Hij was duidelijk geen dramaturg. Beter verging het de auteur toen hij na de Tweede Wereldoorlog zelf even in de regiestoel ging zitten voor een film naar een eigen origineel scenario, Crésus, met een andere santon in de hoofdrol: Fernandel. Gelukkig keerde Giono later helemaal naar de romankunst terug. Hij was allereerst een verteller op papier.Pagnol, die alleen door de oorlog verhinderd was om een groot filmproducent te worden en van de zonnige Provence het Franse Hollywood te maken, vond ook dat schrijven meer kunst was dan filmen. Je hebt er geen industrie voor nodig, zei hij, alleen een cahiertje en een pen.Beiden ontmoetten elkaar weer in het winkeltje van de santons. Daar zagen zij hun vriend en vertolker Raimu terug. Helaas hebben zij het niet meer mogen beleven, dat de acteur nog een andere eer te beurt viel dan een standbeeld van tien centimeter hoogte. In een der moderne kunsttakken bij uitstek, het stripverhaal, mocht hij een gastrol vertolken. De scheppers van Astérix voerden Raimu ten tonele in niet minder dan drie van hun verhalen. In een ervan, Tour de Gaule, treedt hij op als de sluwe aubergiste César Labeldecadix die de snode Romeinse legioensoldaten tegenhoudt met een petanquespel, zodat de bedreigde Galliërs kunnen ontsnappen. Striphelden zijn een soort van moderne santons.De Pagnol-films zijn als videofilms verkrijgbaar bij de Compagnie Méditerranéenne de films, 9 rue de Vanves, 92100 Boulogne-Billancourt, Frankrijk.