Advertentie
Advertentie

Slapen en eten in de brouwerij

Een café is nog altijd een instituut in Vlaanderen: de bruine kroeg houdt stand, de themacafés rukken op en de pubs zijn op hun retour. Is een café het verlengstuk van de huiskamer of is het juist een vluchtheuvel? Wat is de kwintessens van een café? De cafés met eigen brouwketels rukken op en in Mechelen is er een brouwerij waar u zelfs kunt logeren.Er zijn in dit land maar liefst 28.000 cafés, één café voor elke 40 Belgen. Dat wil zeggen dat er voor elk van ons wel een stoel vrij is in een café.Dorpscafeetjes waren er vroeger veel meer. Het café was synoniem voor het populaire verenigingsleven: de duivensport, de vinkenzetting en de wielrennerij. Er waren lang geleden al themacafés in de dorpen: de Gilde en de Kroon waren respectievelijk de vaandeldragers van de christelijke vakbond en het katholieke establishment, het Achturenhuis was de stek van de socialisten.In de steden waren er kroegjes en brasseries. Maar café is wel de meest gangbare benaming en die slaat op de koffiehuizen die overal in Europa in de achttiende eeuw werden geopend. Het vertrouwde woord herberg duidt onweerlegbaar op de overnachtingfaciliteit die er werd verstrekt. De enige echte gelagzaal was de kroeg, een immer gestigmatiseerde plek waar uitsluitend bier werd getapt en waarvan de zedelijke kwaliteit altijd onder verdenking stond. De maatschappelijke hiërarchie was toen duidelijk: kroeg, herberg, café: gepeupel, middenstand, burgerij.De sociale betekenis van de herberg is nooit beter gedefinieerd dan door de wet-Vandervelde ter voorkoming van het drankmisbruik. Maar nooit heeft de wetgever zoals in Amerika een volledige drooglegging uitgeprobeerd. Drinken was en is een sociale aangelegenheid. Men is geen Belg zonder stamcafé, en zo men dat verlaat, verandert men ook zijn hele leven.De notie stamcafé is een wonderlijk eenvoudige benaming die rechtstreeks refereert naar de referentiegroep en de tribale achtergrond. Vroeger was alles eenvoudig: je was waar je dronk, thuis waar je Stella stond. In zekere zin speelt die aparte betrokkenheid bij een soort café nog altijd. Occasioneel zullen wij op doorreis wel een wildvreemd café aandoen, maar als wij in ons dorp of onze stad zijn, is de keuze heel precies. In steden kun je ongeveer stellen dat je je leven kunt veranderen door van stamkroeg te veranderen.Nu zijn er de afgelopen decennia tal van cafés bijgekomen die hun klanten juist en bijna hoofdzakelijk werven onder een wisselende cliënteel. Had je tot de jaren zestig een duidelijke opdeling tussen kroeg en café, tussen de werkman en de artiest, dan kwamen er plotseling zulke vreemde eenden in de bijt opduiken als Ierse en Engelse pubs en Deense tavernes. De internationale brouwerijen, in casu Guinness, Bass en Tuborg waren aan de zet. Misschien moest je toen al gewagen van themacafés, het buitenlandse bier was het thema en dat ging vergezeld van een typische inrichting zoals men die op doorreis ter plekke in Dublin, Londen of Kopenhagen had kunnen zien. De eigen brouwers, Interbrew en Alken-Maes op kop, hadden eigen cafés en kochten er steeds meer op. In die mate zelfs dat er door de nieuwe Europese richtlijn die meer dan 30 procent marktaandeel veroordeelt, nieuwe entiteiten zullen ontstaan. De vastgoedsector kan een nieuwe niche openen: cafés.In de jaren zeventig was de jongerencultuur verantwoordelijk voor de heropleving van de kroegen en de bruine cafés. Er waren legendarische cafés die in geen honderd jaar iets aan het interieur hadden veranderd, maar al gauw werden met behulp van losse interieurstukken ook cafés ingericht die, hoewel nieuw, er meteen al een eeuw oud uit zagen. De kroegbaas was geen dikke zetbaas meer, maar werd alras vervangen door jongens die hun universiteit nooit afmaakten, als ze daar ooit zelfs maar een voet hadden gezet. De legendarische kroegbazen van de jaren zeventig zouden aan het einde van de eeuw zelfs inzetbaar als ze waren - minister of reclamejongen worden. De kloof met de burger hadden ze al twee decennia voor hun collegas weten te dichten door die observatiepost achter de toonbank te koesteren. Overigens waren de kroegen uit de studentensteden er debet aan dat er ook in de verst verwijderde dorpen artistiekerige pleisterplaatsen ontstonden.Het leek alsof we alles hadden gehad. Alsof het uitgangsleven zich settelde: eerst doorzakken in de lokale kroeg en dan uitwaaien in de megadancing. Maar men had duidelijk buiten de waard gerekend.Ooit was het café een mannenaangelegenheid, het waren sterke vrouwenbenen die de luxe van een cafébezoek konden dragen. Daar kwam midden de jaren tachtig verandering in. De horeca moest rekening houden met de maatschappelijke tendensen: en de twee sterkste waren de singles en de paren. Zij het dat het fenomeen van exclusieve singlebars nooit echt bij ons is doorgedrongen. Maar het café moest iets meer salonfähig worden. Je kreeg een duidelijke scheiding tussen interieurs die voor hout en metaal kozen en de eindeloze stoet van bars die het vasttapijt omhelsden.De kwintessens van een café is moeilijk te bepalen tenzij je die tweedeling aanhoudt. In de jaren negentig waren de arte povera-cafés opnieuw aan het oprukken: bruine kroegen die het meest barre meubilair hadden maar daarom juist vaak een mythische status kregen. Het volksoproer dat in Brussel ontstond toen in de August Ortstraat het café Le Coq werd gesloten, was in niets te vergelijken met de meewarigheid waarop het failliet van de brasserie Fallstaf mocht rekenen.Een café is een toog en een barman, bij uitbreiding zijn het de obers die de sfeer maken. Een café mag niet te zakelijk ingericht zijn, maar het mag geenszins op thuis lijken.U kent ongetwijfeld de televisieserie Friends. Af en toe verzamelen de acteurs in het Perkcafé waar ze neerploffen in een tweetal sofas. Dat is nog altijd een vreemd beeld, het is alsof ze de huiskamer in een cafédecor neerpoten. Er is ook nooit interactie met de andere klanten, die hoogstens functioneren als figuranten. Het café van Friends is een gimmick, want eigenlijk hoort een sofa thuis in de hal van een hotel. In een café vind je hoogstens een bankstel en bij uitstek een stoel en een tafel.Een café is een neutraal terrein, dat wordt gekozen om uitsluitsel te geven voor de vraag: Your place or mine? Cafés zijn gehorig maar tegelijk worden er nergens zoveel en zo sterke confidenties gedaan als tussen pot en pint. Gek dat daar nooit een film of een theaterstuk over is gemaakt, behalve dan die ene recente prent van Ettore Scola La cena, die de tafelgesprekken in een Romeins restaurant volgt. Niet toevallig, want het eten maakt heel andere dingen los dan het drinken. Niet ten onrechte spreekt men van cafépraat, waarmee men onsamenhangende gesprekken bedoelt of conversaties die weinig gefundeerd zijn. Cafés zijn vrijplaatsen voor tooggasten die daar publiek werven. De toog is een ideale uitgangspositie voor een stand-up die wat rugdekking wil.Wat zijn de laatste nieuwe tendensen in de horeca? Wel, er is al jaren een rush bezig van de zogenaamde themacafés. In Amerika heb je het beroemde Hard Rock Café waar je in de vitrines parafernalia van Hollywoodsterren kunt bewonderen naast beroemde gitaren van rockstars en de wapenrok van captain Kirk. Maar cafés met beroemdheden, daar had Vlaanderen in jaren zestig al een patent op, toen Brik Schotte en Raymond Ceulemans met een eigen horecazaak van wal staken. Themacafés zijn nu zaken waar om de zoveel jaar een nieuw decor in gestoken wordt, maar de echte boom lijkt voorbij.Geert van Lierde, journalist van het vakblad Caférevue, nuanceert de overlevingskansen van die themacafés: Het is echt wel een voorbijgaand fenomeen. Die radio2cafés moeten nog bewijzen wat ze waard zijn. Uiteindelijk gaan de mensen daar om de radiovedettes te ontmoeten. De Ierse Pubs zijn in feite de enige echte themacafés: Guinness en Ierse kost en ambiance.Als je al een duidelijke trend hebt, dan is het wel die van de microbreweries, dat zijn cafés met een eigen brouwinstallatie. Dat fenomeen is overgewaaid uit de States. In Vlaanderen zijn er al een paar. Het Pakhuis in Antwerpen, Ter Doolen in Houthalen, nog een in Sint-Elooiswinkel en de Achelse Kluis, een abdij pal op de Belgisch-Nederlandse grens. Broeder Thomas Sas, wiens vakmanschap eerder al succesvol was gebleken in Westmalle, Westvleteren en Orval, startte in 1999 met een huisbrouwerijtje. Inspelend op de belangstelling voor dorstlessende bieren werden drie gloednieuwe en unieke trappisten gelanceerd: een goudblonde en zachte Vier, een amberkleurige en milde Vijf en een heldere en pittige Zes. Een- tot tweemaal per week wordt er gebrouwen en dan verdwijnt het bier voor een korte rijping naar de lagertanks op de zolder. En van daaruit stroomt het rechtstreeks naar de tapkraan. De gelagzaal is dan ook de enige plaats waar je de Achelse trappist kunt proeven. Het bier wordt immers niet gebotteld. In Wallonië is er nog maar een van dat soort, de Brasserie des Fagnes in Mariënbourg.Ondertussen kan Vlaanderen ook prat gaan op een echte herberg. Brouwerij Het Anker in Mechelen opende het eerste Belgische brouwershotel. Geert van Liedere: Een oud stapelhuis op het brouwerijterrein werd volledig gerenoveerd en heringericht als een driesterrenhotel met 22 kamers. Op weekdagen is het zeer in trek bij zakenlui, die de klassieke hotels meer dan beu zijn. In België is zon initiatief een unicum, in Duitsland kom je die wel vaker tegen. GS