Advertentie
Advertentie

Stalingrad

Een boek van twee jaar geleden dat out of the blue zomaar in de toptien flitst? Dat heeft zeker iets met televisie te maken? En jawel, zopas is in de Canvasreeks Histories een programma over de slag om Stalingrad uitgezonden. Eind 1942 deed Hitler een poging om de communistische vrienden van de geallieerden een dodelijke slag toe te brengen en zo de oorlog voorgoed in het voordeel van de nazis te beslechten. Stalingrad aan de Wolga werd het grootste slagveld uit de geschiedenis: een miljoen dode Russen, een half miljoen gesneuvelde Duitsers. De statistieken zijn onbetrouwbaar, maar ze blijven van een onvoorstelbare grootte. De Britse militaire expert Antony Beevor heeft er na inzage van voorheen onbekende bronnen, onder meer Russische stukken en dagboeken, een prangend document van gemaakt. Het is een heel filmisch verslag geworden - hoe kan het ook anders? - met een minutieuze ontleding van de militaire en politieke stellingen aan beide zijden. Het Duitse offensief liep vast in de Russische winter - remember Bonaparte -, in de Slavische overlevingsdrang en in de even grof- als grootschalige inzet van Stalin, die zijn stad niet zomaar in de handen van de fascisten liet vallen. Er zijn, aan beide zijden, onvoorstelbare dingen gebeurd. Een deel ervan is in dit boek beschreven en Beevor beheerst de romantechniek. In elk geval was Stalingrad een keerpunt in de oorlog. Met Hitler en de zijnen is het nadien nooit meer goed gekomen. En de Russen werden zelfverzekerder dan ooit. Russische officieren kregen letterlijk en figuurlijk weer goudgalon op de schouders geprikt, zoals in de tijd van de tsaren. Deze veldslag heeft niet enkel het verdere verloop van de oorlog bepaald, maar ook een groot deel van de na-oorlogse Europese en Atlantische politiek.Antony Beevor Stalingrad 1999, Amsterdam/Leuven, Balans/Van Halewyck,480 blz., 21,5 euro (870 fr.), ISBN 90-5018-424-3.Individualisme zonder verhaalHet individualisme, hoewel een erfenis van de Verlichting, heet een kwaal van onze tijd te zijn. Ieder voor zich lijkt wel het motto van de survivors in onze maatschappij. Er werden zelfs nieuwe namen bij bedacht, als yuppies, dinkies en LAT-relaties. Het ene individualisme is natuurlijk het andere niet. Er bestaat ook een expressief individualisme, dat gericht is op zelfontplooiing en autonomie. Dat maakt niet het voorwerp uit van dit boek. De auteur, die verbonden is aan de vakgroep Sociologie van de VUB, onderzocht wel grondig het fenomeen utilitair individualisme, gericht op eigenbelang en extern materieel succes. Zijn scriptie is, met name door haar structuur, ook voor niet-vaklui toegankelijk. Een van de interessantste bevindingen is wat Derks de paradox van de vreemde coalitie noemt. Er bestaat namelijk een merkwaardig bondgenootschap tussen twee maatschappelijke groepen. Er zijn de laag-opgeleiden, die zich utilitair individualistisch gedragen. En je hebt de zelfstandigen in de ruime zin: mensen uit commerciële, marktgerichte beroepssectoren en studenten uit materialistische richtingen als Rechten en Economie. De nieuwe klasse van technologie-experts wordt hier jammer genoeg buiten beschouwing gelaten. (Het woord klasse gebruik ik met enigszins blasfemische bedoelingen, het wordt in het hele boek deskundig vermeden.) Hier wordt het begrip burgerlijk individualisme ingevoerd. De vreemde coalitie wordt dan gevormd door gevestigde burgers, petit bourgeois en geresigneerde instrumentalisten. Die laatsten beschrijven we in niet-vaktermen als de laagste sociale klasse, ook wel de minstbedeelden genoemd. Er zijn verschillen, maar ook overeenkomsten, onder meer in economisch denken en stemgedrag. In elk geval staat het streven naar eigenbelang voorop, vanuit de overtuiging dat moreel handelen niet loont. Wil iemand uit een gedegen studieboek als dit nu maar eens politieke conclusies trekken?Anton Derks Individualisme zonder verhaal 2000, Brussel, VUBPress,301 blz., 17,20 euro (695 fr.), ISBN 90-5487-286-1.De architectuur van de 20ste eeuwWij beseffen het te weinig, ons leven wordt in grote mate door architecten bepaald. En die doen met ons meer dan het begrip Lebensraum invullen. Ze zijn afwisselend idealisten, opportunisten, verwoesters van het erfgoed, hulpjes van projectontwikkelaars, hoeren, maar ook soms ongemeen creatieve en historische denkers. De Britse onderzoeker Jonathan Glancy heeft er nu een boekje over gemaakt. Wat zijn de 370 beklijvendste gebouwen uit de voorbije eeuw? Ik neem aan dat het cijfer bepaald is door de uitgever en zijn financiële mogelijkheden. Nu hebben we dan in pocketformaat soms goede fotos van interessante gebouwen, plus een bijbehorend tekstje dat niet altijd even verhelderend is. Het is geen specialistisch werk, je moet als lezer niet het grondplan van de Aya Sofia bestudeerd hebben om dit te kunnen volgen. De inleiding bevat enkele onomstotelijke waarheden, waarvan de grootste wel luidt: De tekst is niet vrij van vooroordelen. Volgens de auteur bleven de westerse architecten van de 20ste eeuw geestelijk voortbouwen op het oude Griekenland, het Parthenon, de gouden Eeuw van Perikles (de 5de v.C.). Nog een tekenende uitspraak: Grappen ter grootte van een gebouw zijn beschamend en beklagenswaardig. We treffen in dit boekje dus niet het Atomium aan, evenmin de Boeren- of Boekentoren, noch het hellend vlak van Ronquières. Dat lucht op. Toch staan er vier Belgische gebouwen in. Hotel Tassel is beter bekend als het Hortahuis. Dat mocht natuurlijk niet ontbreken. Evenmin het Palais Stoclet, een tour de force van de Weense Sezession in het Brusselse fin de siècle. Meer vragen kan men zich stellen bij de keuze van De kerk van het Heilig Hart, beter bekend als de basiliek van Koekelberg. Dit gedrocht, dat met veel vertraging als nationaal geschenk voor (of door?) de monarchie werd aanvaard, roept nog steeds tegenstrijdige gevoelens op en niet enkel vanwege zijn blokkadefunctie in het verkeer. En dan is er nog de studentenflat in Leuven (1975), waarmee de Belgische architect Kroll in de punkperiode internationale faam verwierf. Afgaande op de foto zou ik er nooit in willen wonen. Terzijde, Henry Van de Velde wordt in geen enkel verband genoemd. Hoort hij niet in de 20ste eeuw thuis?Jonathan Glancy De architectuur van de 20ste eeuw 2000, Bussum, Uitgeverij Thoth,400 blz., 12,34 euro (498 fr.), ISBN 90-6868-260-1. JC