Standaardtaal

Standard of language is de nieuwste van de saxofonist Kenny Garrett, de voormalige stersaxofonist van Miles Davis. Het openingsstuk is de enige beproefde standard van het hele album. What is this thing called love van Cole Porter is sinds de jaren veertig een favoriet van muzikanten die de akkoorden en de melodie van een populaire song graag herdachten tot er een heel nieuw stuk ontstond. Lee Konitz verbouwde What is this thing... tot Subconsciouslee, Charlie Parker en de beboppers maakten er Hot house van. Garrett snijdt heel even de originele melodie aan en lanceert zich meteen in een lange, opgewonden solo in zijn gebruikelijke supersonische stijl: vingervlug, veel noten, een geluid onder voortdurende hoogspanning. Pas halfweg de plaat zoekt onze raketman een zeldzaam moment van rust op. Maar het hymneachtige Native tongue noch de ballad Just a second to catch my breath kunnen overtuigen. Wanneer Garrett de voet van het gaspedaal haalt, blijken zijn slepende timing en monotone sound nog sterker op te vallen dan in de snelle stukken. (Hij heeft destijds duidelijk de kans gemist om van zijn oude baas Davis iets van de kunst van less is more te leren). Zoals steeds bij Garrett ligt de verwantschap met John Coltrane ook op Standard of language vanaf de eerste noot hinderlijk voor de hand. Zijn eigen composities en de ontwikkeling ervan leunen aan bij de motiefjes die Coltrane in de tijd van Impressions als uitgangspunt gebuikte. En hij zoekt liefst het lage register op waar zijn altsax het dichtst dat bezwerende tenorgeluid van Coltrane benadert. Nog sterker wordt die verwantschap wanneer hij overschakelt op sopraansax, het instrument dat Coltrane omstreeks 1960 op de landkaart van de moderne jazz zette. Kurita Sensei lijkt zo weggelopen uit een van die Impulse!-albums van het legendarische kwartet van Coltrane. Om de gelijkenis compleet te maken imiteert de pianist Vernell Brown er McCoy Tyner op briljante wijze waar verder niemand wat aan heeft. Inderdaad het standaardtaaltje van de jazz vandaag. De demonstratieve, machoaanpak van de virtuoze Garrett heeft vast zijn aanhangers. En ik kan me voorstellen dat er in een club veel plezier valt te beleven aan dit soort blufpoker. Maar in de huiskamer is het verhaaltje wat mij betreft heel snel op.Horace Silver en coBlue Note vervolgt zijn serie Rudy van Gelder Edition met weer zes afleveringen. De reeks werd zo genoemd naar de geluidsman die mee aan de legende van het New Yorkse label bouwde en die de voorbije jaren zijn eigen originele opnames mocht remasteren. The natural soul van de altsaxofonist Lou Donaldson is een sympathiek plaatje in het funky sax-orgel-gitaar-genre, destijds (1962) bestemd voor de zwarte buurten in de grote steden van de VS. De trompettist Donal Byrd maakte in 1959 zijn officiële Blue Note-debuut als leider met het niet over de hele lijn overtuigende Byrd in hand. Beide werkjes zouden waarschijnlijk minder égards te beurt vallen als ze toevallig niet in de meest gehypete catalogus uit de geschiedenis zouden zitten. Anders ligt het met Blowing in from Chicago. De sterke sessie uit 1957 verenigt twee figuren uit de stad die iets heeft met de tenorsax, Cliff Jordan en John Gilmore, de man uit het Sun Ra-orkest. Hun typische geluid staccato frases en vals aangezette noten die heel even uit de bocht dreigen te gaan wordt nog mooier wanneer het trio van de pianist Horace Silver er een vuurtje onder stookt. Van de altsaxofonist Jackie Mclean, op de grens tussen de moderne jazz van de jaren vijftig en de free van het volgende decennium, werden twee sessies uit 1957 verzameld op Jackies bag. De wonderlijke trompettist Freddie Hubbard schonk Blue Note het allerbeste uit zijn carrière alvorens aan een desastreuze artistieke neergang te beginnen. In 1961 werden zijn felle solos op Hub cap omkranst door sobere maar fraaie arrangementen voor een sextet met de saxofonist Jimmy Heath en de trombonist Julian Priester mee op de voorgrond. De uitschieter van de nieuwe reeks van zes is echter Finger poppin van Horace Silver. De medestichter van de Jazz Messengers kon als geen ander de subtiliteiten van de moderne jazz verweven met de directheid en de beat van de blues en de gospel. Hij deed dat door de orkestraties voor zijn kwintet zorgvuldig te plannen en te stroomlijnen - een moderne versie van de praktijk van de bands uit de swingjaren, inclusief het gebruik van riffs als basis voor het rijk gestoffeerde pianospel dat de basis van zijn band vormde. Met de trompettist Blue Mitchell en de saxofonist Junior Cook had Silver ten tijde van Finger poppin geen echt grote solisten in huis. Dit kwintet werd echter wel zijn allerbeste groep, ook al dank zij de sterke ritmesectie met Gene Taylor op bass en Louis Hayes op drums. Hoe sterker ze de pakkende stukken van Silver instudeerden, hoe vrijer en spontaner ze klonken. Tussen het opwindende Juicy lucy of Come on home door laat Silver zich ook nog kennen als de auteur van aangrijpende ballads als Sweet stuff of You happened my way een talent dat helaas werd overschaduwd door zijn reputatie als uitvinder van de achteraf door velen misbruikte zogenaamde souljazz. Maar toen, in 1957, was de taal nog geen standaardtaaltje geworden. Vandaag blijft Louis Hayes de traditie voortzetten met de feeling van het eerste uur. Morgen hebt u een zeldzame gelegenheid om de drummer en zijn kwintet mee te maken in de Hnita Hoeve in Heist op den Berg. Rob LEURENTOPCds: Kenny Garrett Standard of Language (Warner Bros)Lou Donaldson The natural soul; Donald Byrd Byrd in hand; Clifford Jordan & John Gilmore Blowing in from Chicago; Jackie Mclean Jackies bag; Freddie Hubbard Hub cap; Horace Silver Finger poppin ( Blue Note RVG Edition/ distr. Emi)Concert: Louis Hayes Quintet met Abraham Burton (tenorsax), Riley Mullins (trompet), David Hazeltine (piano) Gerald Cannon (contrabas), zondag 23 maart om 20 uur, Hnita Hoeve, Heist op den Berg,(tel. 015/24.19.53, info@hnita-jazz.be, www.hnita-jazz.be