Advertentie
Advertentie

Strictly JazzPuristen

De puristen hebben weer toegeslagen. Slachtoffer is deze keer de arme Clint Eastwood. De regisseur vertelde zijn droevige verhaal vorige week in De Morgen, net voor Bird nog eens werd vertoond in het kader van de reeks Blacks on the white screen van het Filmmuseum in Antwerpen. In die film uit 1988, een sterk gekleurde versie van het leven van de geniale saxofonist Charlie Parker (1921-1956), knoeide Eastwood met historische opnamen van de held. Hij liet diens partijen door andere solisten naar eigen goeddunken opnieuw inspelen of omkaderde bekende solos van de saxofonist met een volledig nieuwe begeleiding. Alsof men in een verfilming van het leven van Andy Warhol de Campbell Soup-cans zou vervangen door blikjes erwtensoep van Unox. De musical director Lennie Niehaus, een aardige saxofonist die ongeveer zijn hele muzikale bestaan aan Parker te danken had, werkte vrolijk mee aan de ingreep. Dat zij met chirurgische kilheid de man van zijn werk konden scheiden, zegt veel over het artistieke inlevingsvermogen van Niehaus en Eastwood. (Terzijde: van Niehaus opnamen uit de jaren vijftig voor het Contemporary-label vindt u mooie heruitgaven in de Original Jazz Classics reeks van Fantasy).De manipulatie kwam Eastwood destijds op redelijke kritiek te staan van lieden die ik zou omschrijven hebben als goedgeïnformeerde critici en erudiete liefhebbers. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn, zo blijkt. Want dank zij Eastwood en De Morgen weten we nu dat deze aardige mensen in werkelijkheid puristen zijn. En uitgerekend de intolerantie van deze puristen zou er volgens Eastwood voor gezorgd hebben dat zijn Bird nooit het succes behaalde dat hij verdiende. Zou een handvol wereldvreemde puristen echter werkelijk zon macht hebben? En klopt het wel wat Eastwood beweert over hun kritische aanvallen? Toen de film uitkwam, kreeg niet de soundtrack de felste kritiek. Wel de manier waarop de figuur van Charlie Parker (Forest Whitaker) werd uitgebeeld: als een groot kind dat zich nauwelijks van zijn eigen kunnen bewust is, een niet eens nobele wilde die als bij toeval op een paar muzikale vondsten stoot en onbegrijpend, in een roes van drugs en drank, ten onder gaat. Nu zijn er nog behoorlijk wat muzikanten en andere mensen in leven die Parker van nabij hebben gekend. Ik heb er nog niet een ontmoet die in de karikatuur uit de film de weliswaar getormenteerde maar ook fijngevoelige, complexe, gesofistikeerde persoonlijkheid van de saxofonist herkent. Dat Whitaker volgens Eastwood de motoriek van Parker zo zorgvuldig bestudeerde dat menigeen tijdens de opnamen meende dat de geest van Parker op de set was verschenen, moet overigens op wishful thinking berusten: er bestaan van Parker nauwelijks vijf te bestuderen minuten film en daarin doet hij niets meer dan zonder veel mimiek of lichamelijk vertoon saxofoon spelen. De intentie blijft wel paradoxaal: het personage tot in de kleinste fysieke details willen benaderen maar tegelijk zijn psyche en muzikale identiteit manipuleren. Wie zonder enige verdere kennis van zaken de film Bird heeft gezien, zal nooit kunnen vermoeden dat Charlie Parker een van de grote kunstenaars van de vorige eeuw was. Maar dank zij Eastwood weet die kijker nu vast wel hoe een beetje jazzmuzikant er uit ziet: een junkie die toevallig ook wat saxofoon speelt en jong sterft. Massey HallDe naam Massey Hall roept natuurlijk herinneringen op aan het fabuleuze concert dat Charlie Parker er gaf in 1953, samen met trompettist Dizzy Gillespie, pianist Bud Powell, bassist Charles Mingus en drummer Max Roach toen de verzamelde top van de moderne jazz. De opname van het concert, een klassieker, is op cd verkrijgbaar in de al hoger vernoemde reeks Original Jazz Classics. Toen de heruitgave enkele jaren geleden werd genomineerd voor een Grammy, kreeg Max Roach, de enige overlevende van het illustere vijftal, een vriendelijke dame van het Grammy-comité aan de lijn. Of hij wellicht telefoonnummers of adresgegevens had van zijn toch zo moeilijk vindbare collegas ? Duidelijk geen puriste, deze dame. Bijna vijftig jaar later stond een ander kwintet - gelijkaardige bezetting, ook vijf topnamen - op het podium van de befaamde zaal in Toronto: in oktober 2001 brachten saxofonist Michael Brecker, trompettist Roy Hargrove, pianist Herbie Hancock, bassist John Patitucci en drummer Brian Blade er een hommage aan trompettist Miles Davis en saxofonist John Coltrane. De twee invloedrijkste jazzmuzikanten sinds de jaren zestig zouden vorig jaar hun vijfenzeventigste verjaardag gevierd hebben: Davis overleed in 1991, Coltrane in 1967.Hancock, Brecker en Hargrove mochten elk een tekstsje schrijven bij deze superproductie. In de marge van het gebruikelijke gezwets stipt Hancock aan dat Miles en Coltrane altijd op zoek gingen naar iets nieuws en dat, bijgevolg en zodoende, een geslaagde hommage de avontuurlijke geest van de meesters blablabla moet respecteren door blablabla onbekende gebieden te verkennen. Dat valt wel een beetje tegen: de vijf spelen mooi in de stijl van het befaamde kwintet van Miles met Hancock en Shorter. Alleen Hargrove wil in de snellere stukken (The sorcerer, Transition) wel eens een rebels geluid laten horen. Breckers soloversie van Coltranes bekendste ballad Naima getuigt vooral van zelfoverschatting en Hancock wisselt bevlogen momenten af met schaamteloze clichés. Ik kan me voorstellen dat deze vijf virtuozen op een vrije dag, als ze er zin in hebben, een schitterende studioplaat bij elkaar kunnen spelen. Hier zetten ze echter hun meest uitgestreken pokerface op om een programma af te werken zoals je dat bij zon met historische verantwoorde verkoopargumenten overladen album kunt verwachten: virtuoos, professioneel, slim opgebouwd, met veel machtsvertoon en waar nodig een stukje gevoeligheid op bestelling. Zeer indrukwekkend, maar mij raakt het niet. Rob LEURENTOPBlacks on the white screen loopt nog tot 30 juni met onder meer Paris blues, Carmen Jones en Cabin in the sky in het Filmmuseum in Antwerpen (03-233.85.71, www.antwerpen.be/cultuur/cvb)Hancock-Brecker-Hargrove Directions in music celebrating Miles Davis and John Coltrane (Verve/ Universal).