Tannhäuser, of een Parijse opera-oorlog

Op 13 maart 1861 werd de romantische opera Tannhäuser van Richard Wagner in een herwerkte versie in Parijs opgevoerd. Wagner had de hulp moeten inroepen van prinses Metternich, de vrouw van de Oostenrijkse ambassadeur, om de directeur van de Opéra zover te krijgen zijn werk te willen spelen. Het door de componist verhoopte Parijse succes bleef echter uit. De leden van de machtige Jockeyclub namen het niet dat Wagner het ballet aan het begin van de opera had geplaatst, en niet na de tweede akte zoals gebruikelijk. Zij daagden immers meestal slechts tegen die tijd op om naar het ballet (en vooral de balletmeisjes) te kijken. Opera was in de 19de eeuw een mondain gebeuren en wie de geplogenheden niet respecteerde, werd op een fluitjesconcert onthaald. Zo ook Wagner. Telkens als Tannhäuser tijdens de voorstelling naar zijn harp greep om een gezang aan te heffen, was dat voor de querulanten het teken om hun fluitjes te gebruiken. Het grote thema van Wagners opera: het conflict tussen zinnelijke en spirituele liefde, tussen snel gewin en grote kunst werd hier letterlijk in de zaal zelf uitgevochten.