Advertentie
Advertentie

The Fellowship of the Ring

Een dik boek met bladzijden in flinterdun bijbelpapier, zodat je altijd het gevoel had dat je niet opschoot in het verhaal. Zo herinner ik me het legendarische The Lord of the Rings, een fantasy-verhaal over hobbits, dwergen, elfen, orks, Zwarte Ruiters, goede en slechte tovenaars, de Duistere Heerser Sauron en de Ring die hij maakte om iedereen te onderwerpen. Ik was een jaar of 15 toen ik het las en ik weet nog dat ik op de duur wat verloren liep in de onwaarschijnlijk uitgebreide en gedetailleerde wereld, Midden-Aarde genaamd, die de Britse (eigenlijk Zuid-Afrikaanse) literatuurprofessor John Ronald Reuel Tolkien op papier had uitgetekend. Al die namen, volkeren, evenementen en genealogieën liepen in mijn prille geest vreselijk in de weg van wat echt telde: de queeste van Frodo de hobbit om de Ring in de diepten van Mordor te vernietigen. Dat was meteen ook zowel de zegen als de vloek waarmee Peter Jackson opgezadeld zat toen hij het in zijn hoofd kreeg om The Lord of the Rings in film te gieten. Enerzijds kon hij alle overbodige details en personages gewoon wegknippen. In een film kan je tenslotte onmogelijk een heel boek navertellen. Maar anderzijds maakt die eindeloze achtergrond van Frodos queeste zo onlosmakelijk deel uit van de epische aantrekkingskracht van het boek dat je er niet zomaar een rechtlijnige avonturenfilm van kan maken. Als Chris Columbus er al niet in slaagt om een relatief eenvoudig boek als Harry Potter and the Philosophers Stone deftig op het scherm te brengen, dan stond Jackson al helemaal voor een gigantische uitdaging. Maar zoals altijd komt het uiteindelijk neer op wat de regisseur in kwestie in zijn hoofd heeft. Waar Columbus niets beters kan verzinnen dan braafjes het boek achterna huppelen en zijn gebrek aan ideeën compenseren met al het lekkers dat je met een grote zak geld kan kopen, is Jackson omgekeerd te werk gegaan. Hij wist hoe een meeslepende avonturenfilm er moet uitzien en heeft vervolgens geprobeerd om alle elementen uit Tolkiens wereld daar zo goed mogelijk in te schikken. Dat Hollywoodstudio New Line hem de financiële mogelijkheden gaf om The Lord of the Rings in drie films om te zetten, was natuurlijk een godsgeschenk, maar het doet niets af van Jacksons verdiensten. The Fellowship of the Ring, het eerste deel van de filmtrilogie, opent met een tien minuten durende inleiding waarin met een minimum aan woorden en een maximum aan veelzeggende beelden de hele voorgeschiedenis van de Ring uit de doeken wordt gedaan. Het is een staaltje pure cinema dat nog het meest aan de inleiding tot Bram Stokers Dracula doet denken, episch, spectaculair en zo helder als pompwater. De broodnodige uitleg die in de rest van de film nog volgt, verspreidt Jackson spaarzaam onder verschillende scènes, zonder dat hij ooit toevlucht moet zoeken tot ellenlange monologen of gesprekken. De kwaadaardige kracht van de Ring wordt bijvoorbeeld nergens duidelijker dan wanneer Frodos oom Bilbo in een flits toegeeft aan zijn drang om het kleinood terug te grijpen. Het is een kort maar heftig moment dat meer vertelt dan alles wat vooraf is gegaan. The Lord of the Rings neemt zijn tijd om de voornaamste personages volledig te schetsen (Frodos beste vriend Sam blijft nog een mysterie, maar zal ongetwijfeld in de volgende twee delen meer kleur krijgen) zonder dat je ooit het gevoel hebt dat het avontuur daardoor stil valt. De strategie die Jackson toepast om dat te vermijden, is even simpel als efficiënt: elke keer als er een rustpauze wordt ingelast, laat hij die volgen door een scène waarin hij alle stoppen lostrekt. Het gevecht tussen de twee tovenaars, de camera die van de toren in de diepste krochten van Isengard duikt, de strijd in de grotten van Moria, het zijn scènes die van The Lord of the Rings zoveel meer maken dan een duur ogend avontuur. Een film van bijna drie uur kent natuurlijk ook zijn mindere momenten. De scène waar de Zwarte Ruiters de slapende hobbits overvallen had best spannender gekund en het werkt op de zenuwen dat de (overigens geslaagde) muziek van Howard Shore letterlijk over elke scène gedrapeerd ligt. Maar uiteindelijk zijn dat niet meer dan voetnoten bij een uitstekend spektakel.Van Peter JacksonMet Elijah Wood, Sean Astin, Ian McKellen, Ian Holm, Viggo Mortensen, Christopher Lee, Sean Bean, Liv Tyler, John Rhys-Davies, Cate BlanchettRock StarDe rockwereld in zijn hemd zetten en laten zien hoe absurd en belachelijk het eraan toegaat, daar hoeft sinds This Is Spinal Tap geen woord meer aan toegevoegd worden. Een film als Rock Star lijkt daarom bij voorbaat een mislukte onderneming, ook al omdat de naam Stephen Herek, regisseur van gladde ondingen als Mr. Hollands Opus en The Three Musketeers met Charlie Sheen weinig vertrouwen inboezemt. Tenslotte speelt dit verhaal zich af midden jaren 80, de hoogdagen van rockgroepen zoals Bon Jovi, Europe, Poison of Def Leppard, geföhnd langharige would-be heavies die een volledige carrière bouwden op dezelfde hit (in verschillende variaties) en dezelfde look. In Rock Star heet die band Steel Dragon, en het hoofdpersonage van de film, een zekere Chris Coles, is hun grootste fan. Hij heeft al hun platen (bootlegs incluis), zijn kamer hangt vol Steel Dragon-posters, hij kent al hun nummers van buiten, hij kleedt zich zoals de voorman van de band om wekelijks naar hun optredens te gaan kijken, en hij heeft een eigen covergroep die de Steel Dragon-songs tot in de details naspelen. Maar wat meer is: hij kan zingen als een god, en door een toeval krijgt hij de kans om zelf zanger van Steel Dragon te worden. Vraag ons niet hoe Herek tot dat inzicht is gekomen (misschien zit George Clooney, die de film geproduceerd heeft, er voor iets tussen), maar Rock Star krijgt het voor elkaar om zowel de val van de parodie als die van het sentiment te vermijden. De film zit vol grappen, maar nooit op de rug van de personages. Steel Dragon is voor Chris Coles bijna een religie, en het zou een blunder geweest zijn om dat in het belachelijke te trekken.Van Stephen HerekMet Mark Wahlberg, Jennifer Aniston, Jason Flemyng, Timothy Oliphant, Timothy Spall, Dominic WestSamenstelling: Ruben NOLLETKameleonOp het eerste gezicht doet Billy Bob Thornton denken aan een jongleur die allerlei ballen van verschillende grootte en zwaarte in de lucht houdt. Acteur in intieme kleine films (Dead Man van Jim Jarmusch, of A Simple Plan van Sam Raimi) of in grote blockbusters (Armageddon), regisseur van kleine persoonlijke vertellingen (Sling Blade) of van grote epische verhalen (de western All the Pretty Horses), scenarist (de paranormale thriller The Gift bijvoorbeeld), muzikant (zijn cd Private Radio ligt nu in de winkels) en echtgenoot van een heuse wereldster (Angelina Jolie, die hij ontmoette op de set van Pushing Tin). Maar Thornton heeft geen enkele moeite om een helder hoofd te bewaren. Hij weet perfect waar hij mee bezig is en, beter nog, hij weet perfect waar hij naartoe wil. Het is geen toeval dat hij deze maand twee keer te zien is, in twee totaal verschillende gedaantes in twee totaal verschillende films. Aan de ene kant is er zijn zwijgzame en teruggetrokken hoofdpersonage in het schitterende The Man Who Wasnt There van de Coen Brothers, en vanaf deze week verschijnt hij op het scherm als een babbelzieke en hypochondrische bankovervaller in Barry Levinsons geestige maar ongelijke Bandits. Thornton houdt van contrasten en verrassingen, zoveel is duidelijk.U staat bekend als iemand die liever ver weg blijft van de commerciële Hollywoodcinema. Hoe was het om te werken met Barry Levinson, die toch dingen zoals Rain Man en Good Morning Vietnam heeft gemaakt?Billy Bob Thornton: O, ik bewonder Barry enorm. Maar hij zit ook niet constant in dat mainstream gedeelte van Hollywood. Ik denk trouwens dat Bandits het meest commerciële is waarin ik ooit een grote rol zal spelen. Ik voel me niet in mijn element in de populaire cinema. Daar is mijn thuis niet. Mijn thuis is bij mijn vrouw, mijn kinderen en alle andere mensen voor wie ik ooit mijn bloed gegeven heb.Wat vindt u dan wel zo vreselijk aan Hollywood?Thornton: Wat mij overkomen is met All the Pretty Horses illustreert perfect wat ik bedoel. Ik heb de fout gemaakt om de eerste ruwe montage aan de studiohoofden te laten zien. De bedoeling was om hen een idee te geven van wat voor film het zou worden, en ik had hen op voorhand gezegd dat het een ruwe montage was van alles wat we gedraaid hadden. In totaal een kleine vier uur. En ik zei expliciet dat ik heel kwaad zou worden als ze me achteraf zeiden dat ik de film korter moest maken. Want die montage was niet de film. De uiteindelijke versie zou iets van twee en een half uur worden. Misschien drie uur, want daarmee hadden ze zich akkoord verklaard voor we met de productie begonnen. Ik toonde de montage, en achteraf zeiden de hoofden van twee verschillende studios dat dit het beste was waar ze ooit aan meegewerkt hadden. Een meesterwerk en een Amerikaanse klassieker, vonden ze. Maar je zal hem wel moeten inkorten tot twee uur en andere muziek gebruiken, voegden ze eraan toe. Dat is wat ik bedoel met Hollywood. Ik wil niet meer moeten vechten met die kerels. Wat me ook enorm stoort, is dat studios meer inspraak eisen naarmate ze meer geld investeren. Dat ben ik grondig beu. Voortaan doe ik het goedkoop en op mijn manier. Ik laat mijn werk niet meer om zeep helpen. De visie van een artiest, van een creatieve persoon, moet heilig zijn. De ervaring met All the Pretty Horses heeft mij veel duidelijk gemaakt.U bent tegenwoordig ook te zien in The Man Who Wasnt There, waar u een kapper speelt. Bent u ter voorbereiding op die film zelf haar gaan knippen?Thornton: Jazeker. Ik heb stage gelopen in een kapsalon dat Dirty Dance Clip Joint heet, een ouderwetse barbier in Californië. Daar heb ik een paar klanten echt onder handen genomen. Ik heb geen klachten gekregen, maar dat kwam waarschijnlijk vooral omdat die mensen allang blij waren dat hun haar geknipt werd door een filmacteur. Het kon hen niet schelen hoe ze er achteraf uit zagen. Al moet ik zeggen dat ik het er vrij behoorlijk vanaf gebracht heb. Bij één kerel heb ik het achterhoofd een beetje verknoeid, maar hij heeft het niet gemerkt. (lachje)Uw personage in The Man Who Wasnt There is iemand die niet weet waar hij thuis hoort. U wel?Thornton: Op persoonlijk vlak heb ik alles wel degelijk op een rijtje, ja. Maar niet wat mijn carrière betreft. Vraag me niet wat mijn plaats is in Hollywood of in de filmwereld. Ik heb zelfs het gevoel dat mijn hoogdagen binnenkort voorbij zijn. Ik zal nooit de kerel zijn die de grote massa naar de zalen lokt. Films zoals The Man Who Wasnt There is niet meteen wat het publiek interesseert. En ik heb geen zin om me anders te gedragen dan ik ben in de hoop door te stoten naar de top. Ik wil eerlijk zijn, met mezelf en met anderen. Geen kontlikken of liegen over wie ik ben. Maar voorlopig lukt het me nog om goed werk te vinden. The Man Who Wasnt There en Bandits zijn twee films waar ik echt trots op ben.Banditskomt volgende week in de zalen.The Man Who Wasnt There speelt nog steeds in de bioscoop.