Tijd voor consequente politiek

In de berichtgeving omtrent de ISPO-exit poll zetten recentelijk enkele media het vermeend electoraal overwicht van de persoon van Bert Anciaux in de verkiezingsscore van VU&ID (13 juni 99) sterk in de verf. Het weze duidelijk dat de toenmalige populariteit van Bert Anciaux hier niet ter discussie staat, wel de selectiviteit waarmee het brute cijfermateriaal wordt aangediend, evenals de sterk gekleurde interpretatie ervan.Op basis van een onnavolgbare interpretatie- en rekenwijze kwamen de ISPO-onderzoekers tot de conclusie dat de figuur van Bert Anciaux op zich goed was voor 40,3 procent van de VU&ID-stemmen. Volgens de ISPO-studie liet 19 procent van het VU&ID-electoraat zich in zijn stemgedrag leiden door de VU&ID-kandidaten, 14 procent door de uitgedragen vernieuwing en 10 procent door het imago van de partij. Vervolgens worden twee hoofdconclusies getrokken: (1) de som van deze effecten is gelijk aan 40,3; (2) één persoon is verantwoordelijk is voor al deze effecten. In één adem wordt het politieke eindverdict geveld: de VU, of de partij die haar na het intern ledenreferendum voorzet, is bedreigd in haar electoraal voortbestaan. Quod erat demonstrandum.Gezien de VU&ID-verkiezingscampagne werd opgehangen aan één persoon, terwijl inhoud en programma naar de achtergrond schoven, mag het weinig verbazing wekken dat heel wat kiezers, bij het verlaten van het stemhokje, de ISPO-onderzoekers te kennen gaven dat hun stemgedrag was ingegeven door het betrokken partijkopstuk. Uiteindelijk primeerde volgens de ISPO-studie voor 19 procent van de VU&ID-kiezers het kandidaatmotief. 45 procent van hen verwees hiervoor naar Bert Anciaux. Bij de CVP-kiezers liet 16 procent zich leiden door het kandidaatmotief. Nochtans voelde vooralsnog geen enkele politicoloog zich ertoe geroepen om de identiteitscrisis van de CVP te wijten aan het terugtreden van Jean-Luc Dehaene.Niet alleen het verdwijnen van één boegbeeld zou leiden tot het electoraal wegdeemsteren van de VU of haar opvolger, ook het Vlaams-nationalisme zou haar de dieperik in sleuren. Immers, maar 2,25 procent van het totale kiezerkorps geeft het volksnationale en/of communautaire thema op als eerste stemmotief. De studie leert echter dat slecht vier stemmotieven beter scoren (algemeen programma, sociale zekerheid, migranten, dioxinecrisis), terwijl het communautaire niet eens een thema was in de verkiezingscampagne, ook niet in die van VU&ID. Een selectie van de themas die slechter scoorden bij het kiezerskorps: politieke affaires (1,44%), criminaliteit (1,35%), economische motieven (1,28%), milieu (1,9%). En toch kwam ook hier niemand op het idee om bij voorbeeld de zwakke milieuscore uit het overzicht te lichten, om vervolgens te concluderen dat de Agalev-verkozenen dringend de jobpaginas dienen te consulteren.Valt er dan niets te leren uit de ISPO-studie? Toch wel. Vooreerst geldt de verontrustende vaststelling dat VU&ID volgens de kiezer geen enkel politiek thema monopoliseerde. Het bleek de enige politieke partij zonder een unique selling position. Men koos grotendeels voor het imago, de verpakking, niet voor de inhoud. Daarnaast koos 14 procent voor de uitgedragen vernieuwing - weinig verwonderlijk gezien de verkiezingsslogan Samen vernieuwen. Ook onze nieuwe partij, die de VU voortzet, maakt werk van vernieuwing, maar dan wel in de eerste plaats in haar daden en op basis van inhoud. Vernieuwing is zowat verworden tot het meest gratuite woord in de Wetstraat. Elke politieke partij doet het tegenwoordig nieuw en anders. Dit adagium wordt echter louter met de pen en de mond beleden. Hoezeer men ook put uit de retoriek van de Nieuwe Politieke Cultuur, de blitse verpakking en marketing kunnen niet verhullen dat de inhoud dezelfde is gebleven. Politiek gemarchandeer, besloten canapé-onderhandelingen, Franstalige vetos en een dito dominantie, vriendjespolitiek, politieke benoemingen, de stortvloed van loze beloftes... blijven regel, eerder dan uitzondering. De publieke perceptie is verheven tot het belangrijkste beleidscriterium, de kwaliteit van het beleid zelf is ondergeschikt. De schijn aan de macht. Maar ook dit regnum is tijdelijk. Wanneer de mist optrekt, wordt ook voor het grote publiek duidelijk dat ten gronde niets veranderd is, dat men bedrogen werd. Zo wordt uiteindelijk nogmaals voeding gegeven aan de sentimenten van machteloosheid en antipolitiek. Men weet onderhand wel wie daar beter van wordt.Op 13 oktober stelde onze partij haar nieuwe naam voor, maar haar aandacht gaat prioritair naar het manifest dat de basis zal vormen voor een ledencongres in het voorjaar. Onze herboren partij zal een aanbodpartij zijn, een programmapartij. Wij willen het syndicaat van het algemeen Vlaams belang zijn en Vlaanderen een stem geven in het eenwordend Europa, in de eenwordende wereld.Wij bieden de Vlamingen een eigen-zinnig antwoord op de uitdagingen van de 21ste eeuw, maar evenzeer op de concrete dagdagelijkse problemen. Wij gaan voor een moderne, ongebonden partij, complexloos Vlaams, waarden-vol en slagvaardig. Maar vooral wensen wij op een écht andere manier politiek te bedrijven. Niet voor elk politiek thema op zoek gaan naar de grootste gemene deler, verlangend naar de gunst van de weldenkende media en de vluchtige publieke opinie. Maar duidelijke, soms haakse, standpunten.Bovenal ambiëren wij een partij die consequent is in haar politiek denken én handelen. Geen holle kreten, loze beloftes of luchtkastelen. Een partij die onomwonden doet wat ze zegt, die woord houdt. Dát is Nieuwe Politieke Cultuur. Karel VAN HOOREBEKEDe auteur is kamerlid van Nieuw-Vlaamse Alliantie