Van schets tot schilderij

Toen de kunstenaarsgroep La Jeune Peinture Belge in 1945 werd opgericht, was er maar een enkele vrouw bij, Anne Bonnet. Zij was geboren in Brussel in 1908 als Anne Thonet. Haar kunstenaarsnaam Bonnet nam zij aan na haar huwelijk met Louis Bonnet in 1930. Dankzij haar man kon zij zich volledig aan haar artistieke droom wijden. Zij ging lessen volgen aan de kunstacademie van Sint-Joost-ten-Node, waar zij Gaston Bertrand en Louis van Lint ontmoette, met wie ze levenslang bevriend zou blijven. Als vriend en raadgever kwam daar later Edgard Tytgat bij, voor wie Bonnet zelfs als model poseerde.De artistieke activiteit van Anne Bonnet speelde zich af in een artistiek matte periode. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog zat de Belgische kunst in het slop. Er was geen vernieuwing te bespeuren. Bonnet, net als de meeste andere Belgische kunstenaars, hanteerde toen een soort intimisme met wazige voorstellingen, dat Paul Haesaerts in 1942 de naam animisme gaf. Dankzij de oprichting van La Jeune Peinture Belge kwam er enige vernieuwing in de Belgische kunstmentaliteit. Ook Bonnet ging veel gestructureerder werken, haar palet werd frisser. Het was een begin van een grotere abstractie in haar werk. Zij schematiseerde de werkelijkheid, door het gebruik van geometriserende vormen en effen aangebrachte kleurvlakken. Van zuivere abstractie was er bij haar echter geen sprake, haar werken bleven naar een zichtbare werkelijkheid verwijzen.De motieven die Bonnet schilderde, waren vooral stadsgezichten. Die waren mede geïnspireerd door de talrijke reizen die de kunstenares vanaf 1946 tot 1955 maakte, onder meer naar Zuid-Frankrijk, Spanje, Portugal, Marokko, Turkije en Griekenland. Maar echte steden stelden haar olieverfdoeken nooit voor. Het was Bonnet veeleer om innerlijke monologen te doen, alsof zij van de bezochte steden alleen de ritmisch geschikte smalle straten en hoge gebouwen wou onthouden. De chaotische veelheid van een stad werd geordend in naast en boven elkaar liggende vlakken.Een goed voorbeeld daarvan is het werk De witte stad, waarvan de tentoonstelling zowel een schets als het eigenlijke schilderij uit 1951 brengt. Ook van een ander schilderij, De gouden stad uit 1955-1956, worden diverse voorbereidende tekeningen en gouaches getoond. Men herkent er nog de spitse minaretten van steden uit Turkije. De schetsen, studies en schilderijen werden bij Bonnet naar kleur en vormgeving steeds poëtische composities. Helemaal abstract werden haar werken nooit. In 1956 schreef Anne Bonnet: De zuivere abstractie brengt op termijn slechts een dode wereld voort, die verveelt door de herhaling van steeds dezelfde, enkel decoratieve vormen. Anne Bonnet overleed na een ongeneeslijke ziekte in november 1960, tweeënvijftig jaar oud.Dankzij een schenking uit 1963 van Louis Bonnet, de weduwnaar van de kunstenares, bezitten de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten in Brussel tal van schetsen, voorstudies en documenten. Daarmee is nu een dossiertentoonstelling opgebouwd. De tentoonstelling, aangevuld met enkele schilderijen, maakt de artistieke evolutie en denkwijze van Anne Bonnet duidelijk. Aan deze kleine tentoonstelling, gemaakt door Inga Rossi-Schrimpf, schonk de pers tot nu weinig aandacht. Toch loont een bezoek de moeite. Er hangt een verstilde sfeer van plastische muzikaliteit. De tentoongestelde werken stammen uit de laatste periode van Bonnet, de jaren 1950. De tentoonstelling opent wel met een wit, symbolistisch getint zelfportret uit 1947. Op dat ogenblik had Bonnet haar verstilde kunst gevonden. Bonnet moet een mooie vrouw geweest zijn, zoals een foto van haar, in 1955 door Serge Vandercam gemaakt, laat zien.Koninklijke Musea voor Schone Kunsten, Regentschapsstraat 3, 1000 Brussel. Nog tot 2 september. Open van dinsdag tot zondag van 10 tot 17 uur. Toegang 150 frank. Op 21 augustus om 14.30 uur is er een wandelvoordracht in de tentoonstelling. Deelname 200 frank. Tel. 02/508.32.46.De sieraardappelenvan RubensHet Rubenshuis wil de aandacht op de tuin achter het museum vestigen, als integraal deel van het geheel. De tuin van het Rubenshuis is immers niet alleen een oase van rust en bloemenpracht midden in het Antwerpse stadscentrum, maar ook historisch belangrijk. Rubens overleed in Antwerpen in 1640. Hij had dertig jaar daarvoor, in 1610, gronden gekocht aan de Wapper, waarop hij zijn indrukwekkende woning met atelier en tuinpaviljoen liet bouwen. Rubens was toen 33 jaar. In 1937 werd het Rubenshuis eigendom van de stad Antwerpen. Het imposante complex was niet langer herkenbaar als het huis van Rubens, het was diverse keren verbouwd.Het complex, zowel de gebouwen als de achterliggende tuin, werd in de periode van 1939 tot 1946 gerestaureerd. Hoe het gebouw eruit zag in de tijd van Rubens was vrij goed bekend door twee prenten uit 1690 die de woning afbeelden tot in het kleinste detail. Maar voor de restauratie van de tuin waren deze prenten geen betrouwbare bron. De tuin was immers in de tweede helft van de 17de eeuw opnieuw aangelegd volgens klassieke Franse stijlkenmerken. Maar er bestond wel een schilderij van Rubens uit 1630 waarop de schilder, samen met zijn tweede vrouw, Helèna Fourment, staat afgebeeld, tegen een decor dat onmiskenbaar zijn tuin moet zijn geweest. Het afgebeelde paviljoen, de fontein, de lovergang, de compartimentering, de houten poortjes en het gebruik van tulpen en oranjerieplanten moeten elementen geweest zijn die daadwerkelijk in de tuin aanwezig waren. Onder meer op basis van dat schilderij werd de tuin opnieuw aangelegd.Die eerste restauratie van de tuin werd verbeterd tijdens een nieuwe restauratiecampagne in 1992-1993. De heraanleg steunde op de kennis van de renaissancistische tuinkunst van onder meer Hans Vredeman de Vries (1526-1607). Vooral de keuze van de begroeiing en de invulling van de tuincompartimenten bij De Vries hielpen de sfeer van Rubens tuin te evoceren. Nu is de keuze van de planten in de tuin historisch gefundeerd. De tuin bevat enkel planten die ook in de periode van Rubens in de tuin bloeiden.Sinds het begin van deze zomer biedt de tuin bovendien een forum voor een vernieuwend gentechnologisch onderzoek. Er loopt een experiment met aardappelplanten, waarvan het uitzicht ongewijzigd bleef sinds de vroege zeventiende eeuw. Een tiental aardappelrassen werd in de zestiende eeuw vanuit Latijns-Amerika naar Spanje gebracht. Sommige planten bleven daar eeuwenlang ongewijzigd bewaard op koninklijke domeinen. Ze hebben dezelfde oude stam als op hun plaats van herkomst, een vrij ontoegankelijke streek in het Andesgebergte. Enkele soorten werden destijds ook in de Nederlanden geïntroduceerd. Aardappelen werden toen niet gegeten, zij werden als sierplanten beschouwd. Misschien kende Rubens zelf de sieraardappelen, die nu in de Rubenstuin groeien en bloeien. De oude aandappelplanten kreeg het Rubenshuis van het Institut für Pflanzengenetik und Kulturpflanzen-forschung in Gatersleben.Men kan in de tuin van het Rubenshuis ook nieuwe anjers zien, die hun vroeg-zeventiende-eeuwse voorkomen kregen door genetische manipulatie. Door een oude afbeelding van een grasanjer op een muurtegel uit een verdwenen Duits slot weet men hoe een bepaalde anjersoort er in de 17de eeuw uitzag. Via genetische uitzuivering van een nog bestaande oude anjervariëteit kon men tot een anjer uit de tijd van Rubens teruggaan. Wie de renaissance en de barok in de Nederlanden wil begrijpen, moet ook iets van oude botanica afweten.Rubenshuis, Wapper 9-11, 2000 Antwerpen. Tel. 03/201.15.56. Open van dinsdag tot zondag van 10 tot 17 uur. Toegang 200 frank. Gratis toegang op vrijdag voor Antwerpenaars.Samenstelling: Bert POPELIER