Verenigde Naties versus Kongo: moraliteit of legaliteit?

Het rapport van het VN-panel over de illegale exploitatie van natuurlijke rijkdommen in Kongo deed de afgelopen dagen opnieuw heel wat stof opwaaien. Het rapport is het voorlopige hoogtepunt in het opbod om bedrijven te linken aan conflicten in Afrika. Ditmaal wordt het kruim van de Belgische economie met Bayer, BBL, Belgolaise, Fortis en Umicore op kop zonder meer mee verantwoordelijk gesteld voor de problemen in Afrika.In het midden van de jaren 90 beslisten de Verenigde Naties het over een andere boeg te gooien. Geopolitieke belangen hadden jarenlang een ingrijpen in landen als Angola, Sierra Leone, Liberia en Kongo in de weg gestaan. Campagnes van NGOs tegen bont of kinderarbeid hadden echter aangetoond dat het zich richten op industrieën of bedrijven tot veel snellere resultaten leidde. Het VN-Fowler-rapport van maart 2000 over Angola maakte de brug tussen beide: olie, wapens, transport, banken en diamant lieten het conflict voortduren, luidde het. De expertpanels volgden elkaar in snel tempo op. Ook Sierra Leone, Liberia en de DRC kregen een panel dat zesmaandelijks moest rapporteren. Zo ontstond een opbod tussen de verschillende panels die steeds nieuwe gegevens moeten aandragen om de opportuniteit van een nieuw mandaat te bewijzen. De politicus die tweemaal per jaar voor verkiezingen staat. Misschien is de tijd gekomen om een evaluatie te maken. Het Kongorapport legt immers op pijnlijke wijze de zwaktes van de nieuwe aanpak bloot.In Kongo is er een probleem. De regering-Kabila moet op het terrein de macht delen. Toch heeft de internationale gemeenschap nooit sancties willen afkondigen tegen het land of tegen bepaalde groeperingen, bijvoorbeeld in oostelijk Kongo. Anders dan in Angola of Sierra Leone is er geen embargo dus geen wettelijke beperking om zaken te doen in Kongo. Ondernemers moeten zich schikken naar de lokale regels en machtshebbers of beslissen het land te verlaten.Het recente rapport neemt de ondernemers op de korrel die zaken hebben gedaan in gebieden die niet onder de controle van de regering in Kinshasa zijn. Ten gronde is dat een openlijke kritiek op de Veiligheidsraad. Volgens het panel zijn bepaalde bewegingen immers niet legitiem terwijl de Veiligheidsraad tegen diezelfde bewegingen geen embargo wenst af te kondigen, en ze dus wel een legitimiteit geeft.De prijs wordt betaald door de bedrijven en sectoren die zonder meer beschuldigd worden van plundering. Moraliteit en legaliteit worden vermengd. De industrie wordt opgezadeld met een moraliteitsvraag die de internationale gemeenschap toebehoort.Dat verklaart ook de omvang van bedrijven die in het rapport genoemd worden. De diamantsector werd totnogtoe als voorbeeld genomen omdat de sector klein en zichtbaar is. Nu voeren Bayer, BBL, Belgolaise, Fortis en Umicore een lijst aan van bijna 100 bedrijven. Krijgen we morgen een petitie bij de apotheker? Moeten we ons spaargeld uit protest van de bank halen of betogen in de Koningsstraat? Is dat de juiste koers? Waar houdt dit op?Het debat over de nieuwe aanpak van de VN moet dringend worden gevoerd. De Belgische regering kan hierin het voortouw nemen. Moraliteit en ondernemen moeten verenigbaar zijn. Elk bedrijf heeft er trouwens belang bij te kunnen werken in transparante omstandigheden. Maar naïviteit is een slechte bondgenoot. Het zou een dwaze illusie zijn te denken dat de moeilijkheden zijn opgelost wanneer Belgische bedrijven zich terugtrekken. Hun plaats wordt ingenomen door andere. Dat zijn de regels van de concurrentie. Precies daarom moet de internationale gemeenschap het speelveld bepalen, zeggen wat kan en wat niet. Het bedrijfsleven moet geëngageerd worden samen met de overheden. De moraliteitsvraag louter doorspelen naar de sectoren zou echter een laf excuus voor het mislukken van de internationale instellingen. Wie mag dan verontwaardigd zijn?Peter MEEUSDe auteur is directeur-generaal van de Hoge Raad voor Diamant