Advertentie
Advertentie

Verhoging van lokale belastingen is schadelijk voor het economisch draagvlak

Net na de verkiezingen van 8 oktober publiceerde het Vlaams Economisch Verbond een studie waaruit blijkt dat allerlei lokale en provinciale belastingen een substantiële bijdrage leveren tot de fiscale druk die weegt op Vlaamse bedrijven. Vlaamse bedrijven betalen ongeveer 30 miljard frank belastingen per jaar aan de gemeenten en de provincies, bovenop de honderden miljarden aan RSZ-bijdragen en vennootschapsbelastingen die bedrijven reeds aan de federale overheid betalen. Vrijwel alle lokale en provinciale belastingen zijn resultaatonafhankelijk, dus geheven ongeacht de bedrijfsomzet of het bedrijfsresultaat. De grondslag ervan is vaak de omvang of de geschatte waarde van de bedrijfsterreinen en de -uitrusting. De belastingen leveren de ondernemingen ook een belangrijke administratieve last op.In hun gezamenlijk memorandum aan de provincie- en gemeentebesturen vroegen het VEV en de Vlaamse Kamers voor Handel en Nijverheid de besturen om de tarieven van de opcentiemen die zij heffen op de onroerende voorheffing in de loop van de komende legislatuur te doen dalen. Voorts pleitten het VEV en de Kamers voor de afschaffing van de algemene provinciebelastingen op bedrijven, die meestal de bedrijfsoppervlakte als heffingsgrondslag hebben. Ten slotte werd aan de nieuwe gemeentebesturen gevraagd om te werken aan een grondige rationalisering van de lokale taksen op bedrijven.Nu de concrete plannen van de nieuwe provincie- en gemeentebestuurders bekend worden, lijkt het erop dat de boodschap van de ondernemers slecht is gehoord en niet is begrepen. Heel wat provincies en gemeenten denken er immers ernstig over, hun belastingen te verhogen.De Vlaamse provincies werden vorig jaar geconfronteerd met de beslissing van de Vlaamse regering om 1 miljard frank over te hevelen van het provincie- naar het gemeentefonds. Prompt lagen er in minstens twee provincies (Antwerpen en Oost-Vlaanderen) voorstellen van de nieuwe bestendige deputaties op tafel om de provinciebelastingen (de provinciale opcentiemen op de onroerende voorheffing, en de algemene provinciebelastingen op gezinnen en bedrijven) op te trekken. De voorgestelde verhogingen beperken zich trouwens niet tot het compenseren van de minderinkomsten uit het provinciefonds, maar deden daar nog een ongeveer even hoog bedrag bovenop. Inmiddels werd, na protest van diverse zijden, de discussie hierover in de provincieraden uitgesteld, maar de voorstellen werden niet ingetrokken. De vraag die niet wordt gesteld, is of onze Vlaamse provincies de 29 miljard frank die ze jaarlijks samen uitgeven ook écht nodig hebben.Ook in heel wat gemeenten wordt erover gedacht de belastingen, ook op bedrijven, te verhogen. Het Antwerpse bestuursakkoord was bijvoorbeeld nog niet afgesloten toen er al een ambtelijke nota circuleerde die voorstelde om de penibele budgettaire toestand van de stad te verhelpen door invoering van een nieuwe belasting op de bedrijfsuitrusting, bovenop al reeds bestaande. En in een aantal gemeenten werd reeds beslist om de opcentiemen op de onroerende voorheffing gevoelig op te trekken.Ook de gemeentebesturen wijzen de hogere overheid met de vinger, en verwijzen bovendien naar budgettaire uitdagingen. Aan de uitgavenzijde gaat het onder meer om de financiering van de gemeentelijke pensioenstelsels, de politiehervorming en de uitvoering van het decreet op de Ruimtelijke Ordening. Aan de ontvangstenzijde wordt verwezen naar de te verwachten minderinkomsten wanneer de energiemarkt wordt geliberaliseerd, en naar de gevolgen van de fiscale hervorming. Deze uitdagingen zijn reëel, maar een onbeantwoorde vraag is of er bij het opstellen van gemeentelijke begrotingen wel voldoende aan zero base budgetting wordt gedaan.Een vaak aangehaald argument luidt dat de gemeenten wel verplicht zijn hun belastingtarieven op te trekken, aangezien de hogere overheden het basisbedrag verlagen van de belastingen waarop de lokale besturen opcentiemen heffen. Enkele bedenkingen. Ten eerste moet toch gezegd dat maar weinig gemeenten hun tarieven ook hebben verlaagd toen door vroeger federaal beleid de basisbedragen verhoogd werden. Ten tweede kan het niet de bedoeling zijn van belastingverlagingen op hoger niveau dat die op een lager niveau meteen weer ongedaan gemaakt worden. Ten derde moet absoluut vermeden worden dat de fiscale hervorming en de belastingverlaging voor de gezinnen straks gepaard gaan met meer belastingen voor de bedrijven.Als de gemeente- en de provinciebesturen inderdaad hun belastingen verhogen, ondervinden de Vlaamse bedrijven straks - tegen alle beleidsverklaringen in - niet een lagere, maar een hogere globale fiscale druk. Het hoeft geen betoog dat een dergelijke evolutie slecht zou zijn voor het draagvlak van onze economie, en voor het doorzetten van de gunstige economische toestand die we vandaag kennen. Vlaamse ondernemingen willen de gemeente waar ze zich hebben gevestigd graag zien als een partner, en zijn ook bereid om hun verantwoordelijkheid op te nemen voor hun lokale leefgemeenschap. Dat kan echter niet als provincie- en gemeentebesturen bedrijven beschouwen als melkkoeien.Mark ANDRIESadjunct-directeur VEV-studiedienst