Vlaming kijkt anders televisie in het weekend

Terwijl de meeste studies nog steeds peilen naar de hoeveelheid tijd die televisiekijkend Vlaanderen op weekbasis voor de buis doorbrengt, maakte een onderzoek van de Vakgroep Sociologie van de Vrije Universiteit Brussel (VUB) duidelijk dat men een onderscheid moet maken tussen kijken op een weekdag en kijken tijdens het weekend. Vlamingen blijken op zaterdag en zondag anders en doorgaans ook meer televisie te kijken. Die resultaten worden bevestigd door de cijfers van het Centrum voor Informatie over de Media (CIM).Vooral interessant is dat het verschil in kijkgedrag tussen week- en weekenddagen in verband moet worden gebracht met een aantal specifieke achtergrondskenmerken van de Vlamingen. Tevoren beperkte men zich in bevragingen meestal tot één vraag over het aantal uren dat men op een gemiddelde dag voor het televisietoestel doorbracht. Dat cijfer werd dan met zeven vermenigvuldigd om de weekscore te berekenen.Het onderzoek over het verschil tussen het kijkgedrag tijdens het weekend en het kijkgedrag op weekdagen kaderde in een grootschalige studie van professor Mark Elchardus en de vorsers Marc Hooghe en Wendy Smits over de deelname aan het verenigingsleven en het maatschappelijk middenveld van de Vlaming. Elchardus formuleerde daarbij de stelling dat mensen die een commerciële zender (VTM, Kanaal 2 of VT4) verkiezen in veel mindere mate de houding hebben die past bij het democratisch burgerschap, en minder bij het sociale en culturele leven van hun samenleving betrokken zijn dan degenen die een voorkeur uitdrukken voor een overheidszender. Net die vaststelling dat kijken naar televisie een negatieve invloed kan uitoefenen op het participatiegedag, deed de onderzoekers besluiten enkele vragen op te nemen over het televisiekijkgedrag. De resultaten zijn het gevolg van een toevallige steekproef uit het Rijksregister der Natuurlijke Personen en zijn representatief voor de Nederlandstalige bevolking van het Vlaams Gewest in de leeftijdsgroep tussen 18 en 75 jaar. In totaal werden 1.341 huisbezoeken afgelegd die uitmondden in een enquête van gemiddeld ongeveer een uur.De verschillen in kijkgedrag tussen week- en weekenddagen worden meteen duidelijk door het opleidingsniveau van de bevraagde Vlamingen. Net zoals dat bij de CIM-cijfers het geval is, valt het op dat bij Vlamingen met een hoger onderwijs-opleidingsniveau binnen of buiten de universiteit, de televisietijd in het weekend systematisch toeneemt. Ook bij de andere leeftijdsgroepen wordt volgens de CIM-cijfers in het weekend meer televisie gekeken. Een vergelijkbaar patroon doet zich voor bij een analyse van het gezinsinkomen. Hier wordt door die groep Vlamingen die meer dan 100.000 frank per maand verdient, in het weekend duidelijk meer dan tijdens de weekdagen televisie gekeken.Volgens Marc Hooghe is er tussen beide factoren een logisch verband. Het genereren van een dergelijk gezinsinkomen vergt volgens de post-doctoraal onderzoeker een flinke arbeidsinspanning. Daardoor blijft er tijdens de week weinig tijd over voor ontspanningsactiviteiten zoals televisiekijken. Tijdens het weekend kan dat wél. Niet te verwaarlozen is ook de arbeidsmarktpositie van de Vlaming. Terwijl de meeste groepen iets meer kijken, doen de gepensioneerden dat in het weekend net iets minder. Daarbij dient wel opgemerkt dat de 65-plussers bijna dubbel zo veel tijd besteden aan televisie als de werkende bevolking. Ook in de opdeling per leeftijd is de conclusie dat Vlamingen ouder dan 65 jaar (26u20 minuten per week) ongeveer dubbel zo vaak televisie kijken als jongeren tussen 18 en 24 jaar (14u40 minuten).Toch hebben de twee groepen één opvallend raakpunt: het weekend is voor hen niet het moment om veel televisie te kijken. Zo wordt door de jongeren volgens Hooghe de zaterdagavond nog altijd bij voorkeur uithuizig doorgebracht in plaats van voor het televisietoestel. Ook bij de 65-plussers is er tijdens het weekend een daling in het kijkgedrag. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat deze groep tijdens de werkweek te maken heeft met een zeker sociaal isolement dat dan wordt opgevuld met televisiekijken.Het weekend is vervolgens het moment om in sterke mate aandacht te besteden aan activiteiten in familieverband. Meteen daalt de voor televisiekijken vrijgemaakte tijd. Ook de verschillen in de gezinssituatie geven aanleiding tot een gewijzigd kijkpatroon. Vooral kenmerkend voor de Vlamingen die nog bij hun ouders inwonen, is dat hun kijkgedrag in het weekend minder intensief is. Reden is volgens Hooghe dat ze dan meer tijd vrijmaken voor sociale activiteiten. De ongehuwd samenwonenden daarentegen besteden in het weekend net extra-tijd aan het kijken naar televisie. Daarbij gaat het vooral om tweeverdieners, die tijdens de week over relatief weinig vrije tijd beschikken. Deze variatie naargelang de gezinssituatie vindt ten dele zijn oorsprong in de aanwezigheid van kinderen. Voor Vlamingen die geen of slechts één kind hebben, treden er weinig verschillen op tussen week- en weekenddag. Wie daarentegen drie kinderen heeft of meer, maakt tijdens het weekend duidelijk meer tijd vrij voor het bijvoorbeeld in gezinsverband kijken naar televisie.Op het vlak van zendervoorkeur manifesteert zich een duidelijk verschil tussen week en weekend bij de Vlaamse Canvas-kijkers. Zij kijken beduidend meer televisie op zaterdag en zondag. Dat kan volgens Hooghe grotendeels verklaard worden vanuit de vaststelling dat deze zender zich specifiek richt tot een publiek van relatief hooggeschoolde jonge professionals die tijdens de week over weinig of geen vrije tijd beschikken. Een tweede vaststelling is volgens de vorser dat de verschillen in kijkgedrag tussen de verschillende publieken zo persistent zijn. Vlamingen met een voorkeur voor VTM, kijken immers de helft meer televisie dan de liefhebbers van Canvas/Ketnet. Dit verschil is volgens Hooghe niet zonder belang bij de bepaling van het omroepbeleid. Dit laatste is immers vooral gebaseerd op kijkcijfers die een reflectie zijn van het kijkvolume of het totale aantal gekeken uren. Dat betekent dat een gemiddelde Canvas-kijker in mindere mate meetelt bij de berekening van het kijkvolume én de kijkcijfers dan de gemiddelde VTM-kijker. Met de kennis dat de gemiddelde Canvas-kijker 14 uur per week televisie kijkt en de VTM-kijker 23 uur per week, is het evident dat VTM een veel groter aandeel van het kijkvolume realiseert dan Canvas. Socioloog Hooghe trekt hieruit de conclusie dat het eenzijdig benadrukken van het kijkcijfercriterium ervoor kan zorgen dat de omroepverantwoordelijken zich eenzijdig richten op de behoefden van de 'veelkijkers' en daardoor de selectieve kijkers minder aandacht gunnen dan men zou verwachten op basis van hun vertegenwoordiging in de bevolking. Vanuit democratisch oogpunt kan men dan ook de vraag stellen in hoeverre het bereik niet een belangrijker beleidscriterium zou dienen te vormen dan het aandeel in het kijkvolume. Stof genoeg dus voor een sociologische en meer nog ethische discussie. JTi