VOEDINGSSEKT - EKO EN UNI

Franchising, zelfstandige handel en filiaalbedrijven in de voedingssektor Om de band tussen het dagelijks ekonomisch leven en de ekonomie als studieobjekt te versterken, publiceert onze krant samenvattingen van licentiaatsverhandelingen die in het afgelopen akademiejaar aan de Vlaamse universiteiten verdedigd werden. In de selektie werd rekening gehouden met onderwerpen waarvoor een brede belangstelling kan bestaan en met diversiteit. De samenvatting van de eindverhandeling gebeurt door de auteur zelf en vandaag is dat Ingrid Weyns die zopas afstudeerde als licentiaat handels- en financiële wetenschappen aan de Handelshogeschool Antwerpen. Het rad van de distributie draait in België zoals in andere landen steeds verder. Verschillende faktoren hebben de distributiebedrijven ertoe aangezet een ruime waaier van handelsvormen ter beschikking te stellen, waaronder franchising, filiaalbedrijven en de zelfstandige handel. Franchising kan gedefinieerd worden als "een kontraktuele samenwerkingsvorm tussen juridisch onafhankelijke ondernemingen of partikulieren waarbij de franchisegever aan de franchisenemer het recht geeft om op welomschreven kondities en mits hij daarvoor vergoed wordt, zijn merk, produkt of specifieke commerciële formule te exploiteren'. Het doel is een synergie-effekt te bereiken door het samenbrengen van het dynamisme van een zelfstandige en de bewezen kwaliteiten van het produkt of koncept van de franchisegever. De talrijke voordelen voor beide partijen hebben zeker bijgedragen tot de groei die de franchising de laatste jaren kenmerkt. De zelfstandige handel (in brede zin) wordt door het Belgisch komitee voor de distributie gedefinieerd als "detailhandel die noch organizatorisch, noch konventioneel met andere ondernemingen verbonden is en in het algemeen tot de KMO's behoort'. Het aantal zelfstandige zaken neemt jaar na jaar af. De grendelwet van 1987 (waardoor men toelating moet vragen voor het oprichten of uitbreiden van een groot winkeloppervlak) kon de bedoelde bescherming tegenover de grote distributieketens niet bieden. Synergie Toch zal de konkurrentie van de grote distributieondernemingen niet tot de verdwijning van de zelfstandige handel leiden. De commerciële struktuur van ons land vereist immers het naast elkaar bestaan van en de synergie tussen warenhuizen, buurtwinkels en gespecializeerde winkels, die elkaar aanvullen. Om als zelfstandige sterker te staan worden er steeds meer onderlinge akkoorden gesloten. Deze samenwerkingsovereenkomsten waarbij men samen aankoopt en waarbij koördinatie en overleg met specialisten mogelijk is, pogen de voordelen van andere handelsvormen te kombineren. Filiaalbedrijven zijn ondernemingen die een aantal detailhandelsbedrijven exploiteren in een welbepaalde branche. In België is dit aantal vastgesteld op vijf. De verschillende vestigingen zijn centrale eigendom en staan onder centraal beheer, wat meteen het fundamenteel onderscheid maakt met het vrijwillig filiaalbedrijf. De mogelijkheden om zich breder op de inkoopmarkten te oriënteren, een promotie te kunnen voeren over een groot aantal verzorgingsgebieden en een uniek embleem en eigen merken te kunnen invoeren zijn enkele voordelen. De vereiste investeringen in een groot aantal verkooppunten, de informatieproblematiek en eventueel de geringe motivatie van de winkelchefs zijn echter enkele nadelen waarmee de meeste filiaalbedrijven gekonfronteerd worden. Zelfs na grondige teoretische bestudering van drie verschillende distributievormen is het onmogelijk één bepaalde vorm als de beste uit te kiezen. Er zijn immers vele faktoren die het welslagen van een zaak mee bepalen. Mede hierom zijn er in het laatste deel van de eindverhandeling enkele case-studies uit de voedingssektor opgenomen. Hieruit blijkt eveneens dat de tijd van gaan voor de drie winkelformules zeker nog niet aangebroken is. De filiaalbedrijven kunnen met enkele strategische zetten hun perspektieven verbreden. Een aangepaste motivatie van het personeel, een snellere opvolging en begeleiding van de filiaalhouders zou in vele gevallen waarschijnlijk betere resultaten opleveren. Persoonlijk meen ik dat hier namelijk het wezenlijke verschil ligt met de suksesrijke franchisingformule. Een filiaalhouder kan immers evengoed met administratieve, juridische of technische problemen gekonfronteerd worden. Als deze problemen snel en vakkundig door gespecializeerd personeel kunnen opgelost worden, kan veel kostbare tijd bespaard worden. Wat de franchising betreft, zullen degelijke ketens die reeds naam en faam verworven hebben waarschijnlijk nog verder uitbreiden. Essentiële voorwaarde voor iedereen is wel een bona fide kontrakt waarbij beide partijen redelijke rechten en plichten hebben. Als het voorwerp bovendien voldoende is uitgetest via verschillende pilootwinkels, staat niets de verdere groei van de formule in de weg. Voor de zelfstandige handelaars liggen ook nog tal van mogelijkheden open. Wel zullen zij zich meer onderling moeten organizeren om sterker te staan tegenover de konkurrentie van de grote ketens. Een goed werkende samenaankoopvereniging zal in de toekomst echter niet volstaan. Er zal ook op andere gebieden zoals opleiding, financiering en verkoop moeten overlegd worden. De zelfstandigheid van de ondernemers moet daarbij wel gehandhaafd worden om geen afbreuk te doen aan de essentie van de winkelformule. Voor elk van de besproken handelsvormen is er wel een specifiek plaatsje onder de zon. De bipolarizatie van de handel blijft werkelijkheid: zowel grote bedrijven met een uitgebreid assortiment als de kleine zaken met eigen voor- en nadelen kunnen blijven deelnemen aan het distributieproces. De wettelijk opgelegde normen, het dynamisme en de fundamentele trends in het koopgedrag van de konsumenten zullen in niet geringe mate de krachtsverhouding tussen de verschillende winkelformules in de toekomst bepalen.