Advertentie
Advertentie

Voor optimale wederkerigheid

Toen in juli 1999 de Vlaamse regering aantrad, ontving ze van haar administratie een merkwaardig dossier: Bijdrage aan het regeerprogramma van de aantredende regering. Deel elf daarvan, getiteld Vlaanderen internationaal, handelde over alle aspecten van de Vlaamse externe betrekkingen die sedert de verwerving van het internationale Verdragsrecht in 1993 (voor de materies waarvoor Vlaanderen bevoegd is) een wel zeer speciaal gewicht verworven hadden.In dat stuk stelde de administratie vast - tussen talrijke andere interessante analyses en notities - dat de Vlaamse belastingbetaler tussen 1992 en einde 1998 circa 2,2 miljard frank had uitgegeven voor Vlaamse projecten in Centraal- en Oost-Europa. Eind 1999 bedroeg dat bedrag zeker 2,5 miljard; terwijl de regering-Dewael voor het lopende kalenderjaar zeker weer een kwart miljard frank aan die toch al aardige som zal toevoegen. De Vlaamse inspanning voor projectenhulp aan Centraal- en Oost-Europa lag echter nog merkelijk hoger. Inderdaad, al deze projecten werden voor de Vlaamse overheid maar voor een deel van de totale projectbegroting gesubsidieerd: a rato van 50 procent tot 80-85 procent naargelang het juridische statuut van de Vlaamse projectaanvrager. Is het dan overdreven te denken dat Vlaanderen de jongste jaren zeker voor 4 miljard projecten in Centraal- en Oost-Europa financierde? Wat kreeg Vlaanderen daarvoor vanwege deze landen in ruil?Eerst en vooral zit er geen kwaadaardige bedoeling verscholen onder mijn vaststelling dat een aantal van de betrokken regeringen bij hun bezoeken aan Brussel (NAVO, Europese Unie, België) steeds meer een ommetje maakten langs het Martelarenplein naarmate ze de Vlaamse loketpolitiek hadden ontdekt. Op die wijze vond Vlaanderen, althans met deze regeringen, een oplossing voor een probleem dat bij contacten met andere bilaterale of multilaterale overheden levensgroot blijft bestaan: dat verdragsrecht der Belgische gewesten en gemeenschappen is zon rariteit in het grondwettelijke recht dat een aantal buitenlandse overheden er zich ongemakkelijk bij voelen, en hun officiële contacten tot de staat België willen beperken.Ten tweede kan men vaststellen dat de cofinanciering van projecten door de Vlaamse overheid zeker bijdroeg tot de groeiende belangstelling van de Vlaamse exportbedrijven voor dat deel van Europa. Sedert 1993 is de Vlaamse uitvoer naar dat gebied drie tot vier maal hoger geworden, en vertegenwoordigt het ook een verdubbeld percentage in het Vlaamse exportcijfer. Dit resultaat is natuurlijk niet alleen aan de projectenpolitiek toe te schrijven, maar die heeft er zeker wel toe bijgedragen.Toch denk ik dat de regering-Dewael de gang van zaken hier en daar moet bijsturen. Ik geloof namelijk dat een aantal Oost-Europese staten, nu nog met Vlaamse bilaterale projecten geholpen, straks lid van een verruimd Europa, door dat Europese lidmaatschap de neiging vertonen aan politieke upgrading te willen doen en aan samenwerking met deelstaten minder belang hechten. Anderzijds lijkt het mij de plicht van elke Vlaamse regering om te trachten dat de belastinggelden van haar burgers, in het buitenland besteed, een optimale return zouden kennen. Ik meen dat hier belangrijke verbeteringen mogelijk zijn. Waar de lijst van de betoelaagde projecten tot nu toe een grote diversiteit vertoonde, lijkt het moment nu aangebroken om de cofinanciering van projecten te gebruiken als een hefboom tot verhoogde Vlaamse aanwezigheid op de projectenmarkt die in Centraal- en Oost-Europa massaal met leningen gefinancierd worden door de Wereldbank en de EBHO (Europese Bank voor Herstel en Ontwikkeling). Beide instellingen hebben met elkaar gemeen dat ze leningen toestaan of kapitaalparticipaties nemen (in het geval van de Wereldbank via de International Finance Corporation), maar dat ze geen grants (giften) toestaan. Voor grants kijken ze steeds uit naar bilaterale of multilaterale (Europese Unie: Phare of Tacis) donors. In de projectcyclus is het nu juist de voorbereiding van een projectdossier (haalbaarheidsstudies, financiële planning, enzovoort), alsmede de technische hulp (vorming, management, en andere), die met gegeven geld (uit de nationale begroting of aangebracht door een buitenlandse donor) worden gefinancierd. Pas na die eerste fase komen de BIRD- en EBHO-leningen op gang waarmee de bouw en de realisatie van de projecten - de werkelijke grote markt, ook toegankelijk voor Vlaamse bedrijven - worden verwezenlijkt. De Vlaamse overheid zou moeten trachten met haar cofinanciering aanwezig te zijn in de allereerste fase van grote dossiers, om vervolgens - de rol van de verder geregionaliseerde exportbevordering - de exporteurs van investeringsgoederen, de bouwers van grote infrastructuurwerken, de firmas sleutel op de deur, op de weg van het grote project te vergezellen. Gezien de bestaande reglementeringen van international competitive bidding is de zaak ingewikkelder dan in een krantenartikel beschreven kan worden. Maar de richting die gevolgd moet worden is het zeker. Jan HENDRICKXDe auteur was ambassadeur en kabinetschef op Binnenlandse Zaken