Werk naar loonStefaan Huysentruyt

Volgens het jaarlijkse verslag van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) stijgen de lonen in ons land in de periode 2003-2004 minder snel dan bij onze belangrijkste drie concurrenten. In de periode 2001-2002 stegen onze lonen nog sneller. Dit en volgend jaar wordt met andere woorden rechtgezet wat in loonontwikkeling de voorbije twee jaar is ontspoord. En dat is ook te zien aan onze tewerkstelling. De cijfers van de CRB bevestigen dat de regel van werk naar loon nog steeds onverkort geldt: hoe lager de loonstijging, hoe hoger de tewerkstelling. Omdat onze loonstijging lager ligt dan bij onze belangrijkste concurrenten, doen we het inzake tewerkstelling beter dan die concurrenten. Toch mag hieruit niet de conclusie getrokken worden dat het met onze concurrentiekracht nu oke is. Onze loonkosten blijven ook na de correctie van dit en volgend jaar naar schatting 10 tot 12 procent hoger liggen dan in onze buurlanden. Een handicap die alleen gecorrigeerd kan worden door een hogere productiviteit per werknemer en bijgevolg een lagere tewerkstelling. Elke stijging van de loonkosten met 1 procent heeft een daling van de werkgelegenheid met 0,48 procent tot gevolg. Willen we deze legislatuur aan de 200.000 extra jobs geraken die paars zich als doelstelling heeft gesteld, dan zal er dus verder gematigd moeten worden. Maar een arbeidsmarktbeleid bestaat uit meer dan loonmatiging alleen. Op dit vlak is het lopende interprofessioneel akkoord (IPA) voor dit en volgend jaar een gemiste kans. Elk jaar opnieuw hameren de OESO en het IMF erop dat onze arbeidsmarkt dringend nood heeft aan meer flexibiliteit, dat de activiteitsgraad van de vijftigplussers moet worden opgekrikt, dat we af moeten van het systeem van brugpensioen en dat het verschil in statuut tussen arbeiders en bedienden een kanjer van een anachronisme is. Maar over dit alles wordt in het IPA nauwelijks gerept. Omdat werkgevers en werknemers er geen overeenstemming over konden bereiken. En ook onze bewindslui zijn wegens meningsverschillen alles behalve geneigd om de koe hier bij de horens te vatten. Maar als het kabinet zijn tewerkstellingsdoelstelling wil waarmaken, moet de federale minister van Werk, Frank Vandenbroucke, hier dringend knopen doorhakken. Ten slotte, maar niet het minst, veronderstelt meer werk ook dat er meer werk wordt gemaakt van opleiding en vorming. Enkel een kenniseconomie stelt ons in staat minder op prijs te concurreren en meer op kwaliteit. Enkel zo kan de causale band tussen loonstijgingen en afbraak van tewerkstelling getemperd worden. Volgens het IPA moeten de ondernemingen hun vormingsinspanningen tegen 2006 opdrijven tot 1,9 procent van de loonsom. Om dit doel te bereiken, moet het bedrijfsleven nog meer dan een tandje bijsteken.