Wielrennen in Lissabon, een fado voor Joaquim Agostinho

Dit weekend organiseert Portugal het wereldkampioenschap wielrennen op de weg. Fietsen in Lissabon, het warmt de herinnering op aan Joaquim Agostinho, de enige échte coureur die Portugal ooit had.Het blijft een onwezenlijke combinatie, een wereldkampioenschap in een land dat amper twee renners in de top-300 van de UCI-wereldranglijst telt: Vitor-Manuel Gamito op nummer 163 en José Azevedo op 174. Het lijkt alsof Portugal wil afrekenen met het altijd aanwezige gevoel van saudade: de toekomst zal steeds in de schaduw blijven van het verleden. Het lot is droevig, vermengd met een verre illusie die nooit zal worden vervuld, want het zestiende-eeuwse wereldrijk van Lissabon keert nimmer weer.De overheid tracht het tij te keren. Portugal land moet opnieuw de internationale kaart op: Lissabon werd culturele hoofdstad van Europa, José Saramago won de Nobelprijs voor Literatuur, het Europees kampioenschap voetbal komt in 2004 naar de Taag.Het Portugese oersentiment saudade krijgt een muzikale vertolking in de fado. Een unieke mengeling van zang en dans, met teksten over ontrouw, noodlot en eenzaamheid. Ik kan geen fado zingen, want fado doet me wenen. t Doet me denken aan t verleden, dat toch nooit wederkeert. Amalia Rodrigues zong het toch. En hoe! Met een intense, warme en in weemoed gedrenkte stem. De dame in het zwart, de stem van O Grito, de schreeuw van Portugal. Amalia Rodrigues doorvoelde de fado. Ze begreep dat hoe triester het lied was, hoe scherper het de Portugezen trof in hun gemoed: Ik heb zoveel verdriet in mij.In de groezelige bairros van het levendige Lissabon - stad van Bacchus, dronkaards en hoeren - vermengden Afrikaanse en Braziliaanse temperamenten zich met Europese. In die vervallen omgeving ontstond in het begin van de negentiende eeuw de fado. Portugese blues, opborrelend uit de frustratie van slaven, ruwe zeelui en gekwelde prostituees. De fado vereert Maria Severa, een armzalig meisje van plezier, dat uitgroeide tot een rebelse een vrijgevochten vrouw. Ze zong met een rauwe stem en begeleidde zichzelf op gitaar, de sigaret steeds in de mondhoek. Ze stierf een vroege dood. Na een overspelige en groot schandaal verwekkende relatie met een man van adel. Niemand ontkomt aan de spiraal van fado. Wat rest is het nostalgisch verlangen naar het onbereikbare. Zo verging het ook Joaquim Agostinho.In 2000 schreef Jean Nelissen, de betere televisiecommentator van de Lage Landen, het boek De 100 beste wielrenners van de wereld. Naast 25 Belgen (met op nummer één vanzelfsprekend Eddy Merckx), 24 Fransen (op twee Bernard Hinault) en 24 Italianen (op drie Fausto Coppi) figureert ook 1 Portugees. Verdwaald op nummer 88 zet Nelissen Joaquim Agostinho.In de jaren zeventig, al op latere leeftijd, stak Ago de neus aan het venster. Hij domineerde gedurende vijftien jaar (1969-1984) het Portugese wielrennen bij gebrek aan enige concurrentie. Desondanks steeg hij ver boven de internationale middelmaat uit. Vooral in grote rittenwedstrijden liet hij zich gelden. Hij reed tussen 1969 en 1983 twaalf keer de Tour de France uit en gooide slechts een keer de handdoek in de ring. Hij finishte - in de era van eerst Eddy Merckx (1969-1974) en later Bernard Hinault (1978-1982) - vier keer in de topvijf, vier keer in de toptien en vier keer in de topvijftien en won een keer de beklimming van de Alpe dHuez. Agostinho fietste als een Flandrien: woekerend met zijn krachten en worstelend met de elementen. Beukend tegen de wind en beter weten in. Hij vereerde, als goede katholieke Portugees, Moeder Maria en Eddy Merckx. Naar het schijnt hing hij in een vlaag van devotie hun fotos naast elkaar. Merckx vergeleek hem later met de Hulk, vanwege zijn soms ook zichzelf verwoestende krachtpatserij, en ontwikkelde een vriendschap met de man die hem openlijk steunde tijdens zijn memorabele klopjacht op Luis Ocana in de Ronde van 1971.Hij was geen tactische renner maar trachtte de tegenstand op tempo te vermurwen. Agostinho kon er de zweep opleggen, de boel opjutten, hard én hardleers. Vaak koerste hij tevergeefs minuten voor het peloton uit, tot de Merckx-brigade hem ultiem te pakken kreeg of de combines van Hinault hem alsnog de das omdeden. Het deerde Agostinho niet. De volgende keer zou hij het opnieuw zo roekeloos aanpakken. Lachend én lijdend tegelijk, het risico tegemoet. Met het hoofd tegen de muur, pijn hoorde erbij. Hij ging er prat op tijdens het winterseizoen op het Portugese platteland te zwoegen. Hij leerde er afzien zonder te zeuren over koude of regen.Agostinho droeg de scherven van het leven mee, ze doorkerfden zelfs letterlijk zijn lichaam. In de jaren zestig vocht hij vijf jaar in de oerwouden van Mozambique. Hij diende als huurling in het leger van dictator Salazar. Agostinho voerde verbeten strijd met de onafhankelijkheidsbeweging Frelimo - het Frente de Libertaçao de Mocambique, door hem onveranderd banditos genoemd - die het juk van Europas laatste koloniale mogendheid wou afwerpen. Het was een vuile oorlog, met zootjes ongeregeld aan beide zijden. Tien van zijn beste vrienden overleefden de oorlogsgruwel niet en hijzelf werd meer dood dan levend uit de brokstukken van een door een bom opgeblazen vrachtwagen gehaald. Terug thuis doemde het spookbeeld van een leven als landarbeider op. Tot hij op een bepaald ogenblik de racefiets van een profrenner van diens muur griste en vliegensvlug enkele rondjes draaide. Op aanraden van die renner waagde Agostinho de overstap naar de koers. Hij zorgde in hetzelfde jaar 1968 meteen voor vuurwerk en triomfeerde in het kampioenschap van Portugal bij zowel de liefhebbers als de beroepsrenners, een unicum. Hij overtroefde de concurrentie ook in de volgende vijf kampioenschappen van zijn land, waaronder één keer - althans volgens de legende - op een damesfiets. Agostinho, gerijpt door zijn Afrikaans avontuur, trok in 1969 de wijde wereld van het wielrennen in. Op zijn eentje, tegen de eenzaamheid bestand, eenzaat van nature ook wel. Zo reisde hij Europa door, altijd onderweg, heel vaak met zijn oude wagen waarin hij s nachts sliep om op elke uitgave te besparen. Agostinho droomde van een boerderijtje in zijn geboortestreek Torrès Vedras. Geldgebrek dreef hem op zijn veertigste terug naar de koers. Op 30 april 1984 sloeg het noodlot toe. In de sprint van de Ronde van de Algarve, een discipline die hij nota bene absoluut niet beheerste, schoot een opgejaagde hond door het peloton. Agostinho sloeg met zijn hoofd tegen het beton. Een dokter stelde een schedelbasisfractuur vast. Na een rit van driehonderd kilometer in een ziekenwagen, omdat men in het plaatselijke ziekenhuis niet over de gespecialiseerde apparatuur beschikte, verloor Agostinho het bewustzijn. Hij overleed op 10 mei 1984 in Lissabon, amper tweeënveertig geworden. Hij overleefde de Afrikaanse oorlogskogels en de Franse Alpencols, maar was niet bestand tegen een botsing met een straathond. Terwijl het in het allereerste wielerreglement van 1869 nog uitdrukkelijk stond vermeld: verboden honden mee te nemen naar de wedstrijd.Als ik sterf, huil dan alsjeblief om mij, zong Amalia Rodrigues. Ook Eddy Merckx deed het, samen met duizenden aanbidders van Agostinho, aan zijn graf in Torrès Verdras. Tegen zoveel fado is een mensenleven niet bestand.Wielrennen in Lissabon, moge het een ode zijn aan Joaquim.In deze rubriek zoekt sportschrijver Raf Willems elke week naar de nuance in de hectische wereld van de topsport.