Advertentie
analyse

Hoe nuttig zijn klimaateconomen?

©AFP

Hoewel de klimaatverandering een torenhoge uitdaging vormt voor de wereldeconomie, verwijten critici de economische wetenschap een gebrek aan interesse en relevantie. Zelfs de enige Nobelprijswinnaar voor klimaateconomie ligt onder vuur. En dan is er nog de knoop over hoeveel we moeten inzitten met de toekomst.

‘Het spijt ons te zeggen dat we geloven dat economen de menselijke beschaving in de steek laten.’ Het zijn harde woorden, zeker uit de mond van Nicholas Stern.

De vooraanstaande econoom, bekend van een spraakmakend economisch rapport uit 2006 over de klimaatverandering, viseert zijn vakgenoten voor hun minimale aandacht voor de klimaatproblematiek. Een tekort dat opmerkelijk is gezien de innige verstrengeling van de klimaatverandering en de economie: de opwarming van de aarde wordt gestuwd door economische krachten, heeft enorme economische gevolgen én moet met slim economisch beleid bestreden worden, signaleerde Stern onlangs.

Wat is het verwijt?

Critici verwijten economische wetenschappers een gebrek aan onderzoek naar de klimaatverandering. Het invloedrijke DICE-model van de klimaateconoom William Nordhaus zou de schade ervan onderschatten en de kostprijs van de nodige inspanningen overschatten, waardoor de lat voor het aanbevolen klimaatbeleid te laag ligt.

Wat met de CO2-taks?

Die kostenprikkel is een favoriet beleidsinstrument van economen, maar de kritiek luidt dat ze blind zijn voor de erg uitdagende politieke realiteit van een CO₂-taks.

Welke rol is er voor de politiek?

Economen wijzen erop dat de verantwoordelijkheid finaal bij de politiek ligt. De afweging hoeveel belang we hechten aan het welzijn van toekomstige generaties is een maatschappelijke discussie.

Zelfs een Nobelprijs Economie voor de pionierende klimaateconoom William Nordhaus volstaat niet om de kritiek te doen verstommen. Meer nog, de invloedrijke modellen van Nordhaus, die zijn prijs in 2018 kreeg, zijn allerminst onbesproken. Ze zouden de schade van de klimaatverandering onderschatten en de kostprijs van de nodige inspanningen overschatten, waardoor de lat voor het aanbevolen klimaatbeleid te laag ligt om catastrofes te vermijden.

Volgens Nordhaus’ optimale beleid kunnen we idealiter een temperatuurstijging van 3 graden Celsius aanvaarden tegen 2100, omdat ambitieuzere inspanningen om de temperatuurstijging tot bijvoorbeeld 2 graden te beperken te veel zouden kosten in verhouding tot de vermeden schade. Alleen zijn klimaatwetenschappers het er intussen over eens dat een planeet die eind deze eeuw 3 graden warmer is catastrofaal zou zijn. Het klimaatakkoord van Parijs mikt op een toegestane temperatuurstijging van ‘ruim onder 2 graden’ en bij voorkeur 1,5 graad. Een pak ambitieuzer dan wat Nordhaus voorschrijft.

Gebruik de opbrengsten van een CO₂-taks om ongelijkheidseffecten te corrigeren en verstorende belastingen te verlagen.
Johan Eyckmans
Klimaateconoom KU Leuven

Met de klimaattop in Glasgow voor de deur en de ontluikende energiecrisis die het lastige van de groene transitie illustreert, is het nuttig eens over het muurtje van de economische faculteiten te kijken. Hoe ver staat het klimaatonderzoek van economen? Bestaat er een consensus over de beste aanpak? En schieten ze inderdaad tekort, of het nu gaat over de beperkte hoeveelheid publicaties in toptijdschriften, gebrekkige modellen of de enge focus op een CO₂-taks als oplossing?

De klimaateconoom Gernot Wagner, die samen met de betreurde Martin Weitzman stevige kanttekeningen plaatste bij de modellen van Nordhaus, erkent dat de economische wetenschap op sommige vlakken ‘gefaald’ heeft. ‘Maar ik geef economen niet de schuld voor het niet aanpakken van de klimaatverandering’, zegt de professor van New York University. ‘Uiteindelijk draait het allemaal om de politiek. Daarbij spelen ook enorme gevestigde belangen, zoals de olie-industrie. Al zijn economen er naïef vanuitgegaan dat het volstond de juiste antwoorden te geven, zonder te beseffen dat er ook een politiek luik is.’

Vertekening

Al kunnen ook vraagtekens geplaatst worden bij die antwoorden van economen. Wagner wijst naar de klassieke kosten-batenanalyse die economen in overheidsagentschappen en consultancybedrijven hanteren. ‘Ze becijferen de verwachte opbrengsten en kosten van een actie - bijvoorbeeld het bouwen van een tunnel - en leggen die dan in de weegschaal. Het probleem is dat economen veel belangrijke zaken die gemeten moeten worden gewoonweg niet kunnen meten. Zo ontstaat een vertekening, met de cruciale vraag in welke richting ze gaat.’

‘Bij investeringsprojecten zoals een tunnel is de typische vertekening een onderschatting van de kosten en een overschatting van de opbrengsten, waardoor projecten opgestart worden die niet verantwoord zijn. Bij klimaatverandering is het net andersom: de opbrengsten van het terugdringen van CO₂-emissie worden massaal onderschat, terwijl de kosten overschat worden’, zegt Wagner.

Concreet luidt de kritiek dat economen achterophinken tegenover de klimaatwetenschappers, die het risico op catastrofes hoger inschatten, terwijl de kostprijs van hernieuwbare energiebronnen zoals zonnepanelen veel sneller daalt dan gedacht. ‘Het resultaat is dat we te weinig klimaatinspanningen doen in verhouding tot wat de juiste cijfers zouden voorschrijven.’

Johan Eyckmans, klimaateconoom aan de KU Leuven, erkent dat ook hij ‘niet akkoord gaat met veel van de aannames’ die Nordhaus gemaakt heeft. Maar hij nuanceert. ‘Zo werkt onze wetenschap nu eenmaal. Iemand doet een eerste zet en dat leidt dan tot discussies, verfijningen en nieuwe aannames. Het doet niets af van het feit dat Nordhaus heel invloedrijk geweest is door als eerste een dynamisch model te introduceren waarin hij de economie en het klimaatsysteem vervlocht.’

Nordhaus deed dat door begin jaren negentig een model voor de economische groei te koppelen aan de gelijktijdige evolutie van de klimaatverandering, waarbij het ene een impact heeft op het andere. Het dwong hem een prijs te kleven op de uitstoot van CO₂, een vervuilende ‘externaliteit’ die niet weerspiegeld wordt in de marktprijzen, maar wel degelijk een maatschappelijke kostprijs heeft. Het model (DICE) helpt de kosten van de strijd tegen klimaatverandering af te wegen tegen de schade en een optimaal beleid te formuleren.

‘Een fundamentele kritiek gaat over hoe het model omgaat met onzekerheid’, zegt Eyckmans. ‘Het verdoezelt dat in de staart van de waarschijnlijkheidsverdeling catastrofale effecten kunnen zitten.’ Er is een relatief kleine kans op enorm schadelijke gevolgen, maar die wordt weggemoffeld als je louter naar de gemiddelde verwachting kijkt. En dat terwijl catastrofale uitkomsten extra aandacht verdienen en dus een groter gewicht zouden moeten krijgen dan hun kans doet uitschijnen.

3
graden
VOLGENS NOBELPRIJSWINNAAR WILLIAM NORDHAUS KUNNEN WE IDEALITER EEN TEMPERATUURSTIJGING VAN 3 GRADEN CELSIUS AANVAARDEN TEGEN 2100.

‘Volgens critici als Weitzman en Wagner gaat het DICE-model niet goed om met on- zekerheid, waardoor de geraamde klimaatschade onderschat wordt’, zegt Eyckmans. Een voorbeeld zijn de beruchte ‘tipping points’, een temperatuurniveau waarbij de klimaatverandering zelfversterkend en onomkeerbaar wordt.

Maar volgens de KUL-professor is er nog een andere bron van onzekerheid die al eens over het hoofd wordt gezien. ‘Naast de onzekerheid over het fysische klimaat, is er een nog meer onzekerheid over het economische luik. Hoe zullen de bevolking of onze productiviteit (wat de economie produceert per gewerkt uur, red.) evolueren? We zijn niet goed in het voorspellen daarvan, terwijl je wel aannames nodig hebt voor het model. Hoe sneller de wereldeconomie groeit en hoe meer energie je nodig hebt, hoe meer emissies je riskeert.’

Sociale kostprijs

Een ander heikel punt - omdat het in politiek vaarwater zit - is hoeveel we moeten inzitten met de toekomstige generaties. Economen gebruiken een discontovoet om toekomstige baten en kosten te vertalen naar vandaag. Net zoals 1.000 euro over tien jaar minder waard is dan 1.000 euro vandaag, zou 1 miljard euro schade over 30 jaar minder erg zijn dan vandaag, zodat die omgerekend naar vandaag een kleiner bedrag vertegenwoordigt.

Die ‘sociale kostprijs van koolstof’ - de huidige waarde van toekomstige vervuiling - bepaalt ons ambitieniveau voor het inperken van toekomstige schade. De discontovoet is daarbij allesbepalend: een hoge discontovoet leidt tot een laag bedrag en dus beperkte inspanningen.

Een mogelijke verantwoording is dat toekomstige generaties potentieel rijker zijn en betere technologie hebben om de klimaatverandering te counteren, al mogen we dan geen tipping point gepasseerd zijn. Of het kan zijn dat wij vandaag minder willen opofferen voor het heil van toekomstige generaties.

Sociale kostprijs

Dat laatste maakt duidelijk dat er ethische keuzes in het spel zijn, en dat is het terrein van de politiek. ‘De wetenschap kan geen objectief antwoord geven op wat de sociale kostprijs van koolstof hoort te zijn’, zegt Wagner. ‘We kunnen alleen benadrukken dat aannames - de hoogte van de discontovoet in dit geval - een belangrijke impact hebben. De concrete invulling daarvan is een politieke oefening.’

Eyckmans zit op dezelfde lijn. ‘Het gaat om een afweging tussen huidige en toekomstige generaties. Als wetenschapper kan je alleen een menu aanreiken waaruit de maatschappij dan moet kiezen.’ Dezelfde oefening speelt op geografisch vlak, bij de verdeling van de klimaat- inspanningen over landen, benadrukt hij.

De wetenschap kan geen objectief antwoord geven op wat de sociale kostprijs van koolstof hoort te zijn.
Gernot Wagner
Klimaateconoom

‘Als je kijkt waar inspanningen het meeste effect op emissiereductie hebben, zou je rijkere landen meer moeten ontzien dan ontwikkelingslanden. Rijkere economieën hebben al meer geavanceerde energiesystemen, zodat het moeilijker - of duurder - is om daar nog klimaatwinsten te boeken dan in armere landen. Maar dat wringt met onze ethische intuïtie over ongelijkheid, zodat een correctie nodig is om ontwikkelingslanden te ontzien. Dat is een moeilijke politieke keuze’, zegt Eyckmans.

Evenzeer politiek gevoelig is de invoering van een CO₂-taks die vervuilende activiteiten duurder en minder aantrekkelijk maakt. Zo’n kostenprikkel is een favoriet instrument van economen, in die mate dat sommige critici beweren dat klimaateconomen geobsedeerd zijn door een CO₂-taks als ultieme oplossing voor het klimaatprobleem. De kritiek is dat ze blind zijn voor de politieke realiteit, met het protest van de Franse gele hesjes tegen duurdere brandstof als bekendste voorbeeld.

‘De economische wetenschap is wel degelijk gevoelig voor de ongelijkheidseffecten van een CO₂-taks of de fors gestegen energieprijzen die we vandaag zien’, zegt Eyckmans. ‘Je merkt dat politici daar hypergevoelig voor zijn en meteen in een kramp schieten om iets te doen aan de gestegen energieprijzen. Met de vraag of ze moeten focussen op armere gezinnen of op de brede maatschappij. Als economen kunnen we misschien meer ons best doen om op de on- gelijkheidseffecten te wijzen en creatieve oplossingen aan te bieden.’

Koolstofdividend

Als creatief voorbeeld noemt Eyckmans het idee van een koolstofdividend dat een groep Amerikaanse economen enkele jaren geleden lanceerde. Daarbij wordt een deel van de inkomsten uit een koolstofprijs - zeg niet koolstoftaks, wat meer aversie oproept - teruggeven aan elk gezin in de vorm van een jaarlijks dividend van bijvoorbeeld 500 euro. ‘Het gaat om een progressieve inkomensverdeling - 500 euro betekent meer voor een arm gezin dan voor een rijk gezin - en het verstoort de prijsprikkel van een koolstoftaks niet: wie zuiniger met energie omspringt, zal ook minder taks betalen.’

Voor Eyckmans komt het erop aan een CO₂-taks ‘op een slimme manier’ in te zetten. ‘Gebruik de opbrengsten ervan deels om ongelijkheidseffecten te corrigeren en om verstorende belastingen te verlagen als die erg uitgesproken zijn, zoals de hoge belasting op arbeid in België. Dan creëer je een dubbel dividend. Al vergt dat wel een grootschalige hervorming van ons belastingbeleid.’

Ook Wagner noemt een CO₂-taks een ‘uitstekend’ instrument, maar het is volgens hem niet het enige. ‘Economen zouden beter wat minder hameren op hoe efficiënt een CO₂-taks is. Overigens zetten alle andere beleidsinstrumenten evengoed een prijs op CO₂, zij het impliciet zoals bij de handel in emissiecertificaten voor vervuilende sectoren. Of nog implicieter, zoals bij een verbod op verbrandingsmotoren, wat neerkomt op een oneindig hoge prijs op CO₂. Dat is misschien niet zo kostenefficiënt als een CO₂-taks, maar we weten wel dat het werkt’, zegt Wagner.

Rest de vraag of er voldoende onderzoek gebeurt in de klimaateconomie. Eyckmans merkt dat de discipline stilaan meer main- stream wordt is. ‘Toen ik in 1990 mijn eerste artikel over het onderwerp publiceerde in Leuven, was dat heel nieuw. Intussen heeft de Nobelprijs voor Nordhaus extra interesse in het onderwerp opgeleverd. In de academische toptijdschriften verschijnt misschien nog relatief weinig onderzoek over klimaateconomie, maar er zijn gespecialiseerde tijdschriften. De interesse dijt ook uit. De Nationale Bank zocht onlangs een klimaateconoom en de financiële sector wil de klimaatrisico’s beter leren inschatten.’

Maar finaal ligt de knoop bij de politiek. ‘Ik erken dat het een moeilijke uitdaging is voor politici: de kosten om klimaatverandering tegen te gaan maken we nu, terwijl de grootste baten voor de volgende generaties zijn. En die stemmen vandaag niet mee. Je moet ergens op het altruïsme van de huidige generatie rekenen’, zegt Eyckmans.

Lees verder

Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Gesponsorde inhoud

Gesponsorde inhoud